Vijfentwintig jaar

Van de eerste seconde dat ik je zag, groeide mijn verlangen elke dag, elke minuut, alle uren, in mijn hoofd schreef ik duizend brieven, die ik nooit durfde te sturen. Terwijl ik bleef dromen, over wij lopend hand in hand, in mijn fantasie aanbeland, wandelend door de tijd, ontweek jij mijn dromerige blikken faliekant, streed ik een onmogelijke strijd.

Tegen beter weten in bleef ik verlangen, naar jouw liefde, meer dan intens, de wens jou te mogen zien, te mogen ruiken, te mogen voelen, het was mijn allerdiepste wens. Mijn hart klopte steeds jouw naam, tien letters op een rij, hard, intens, een dagelijkse tendens, maar hoe hard het ook klopte, jouw hart bleef bij jou en niet bij mij.

Ik dacht dat het nooit meer iets zou worden, al deed ik nog zo braaf mijn gebed, toch had ik voor alle zekerheid mijn hart voor je klaargezet. En dan ineens was jij daar, vonden wij elkaar, geraakt door een verdwaalde pijl in je hart, afgeschoten met mijn laatste krachten, zonder iets te verwachten, wist je wat ik voelde, werden mijn gevoelens ontwart.

Zo werden wij een onmogelijk stel, jij en ik, ik en jij, niet ondanks maar dankzij, nog steeds stapelverliefd op elkaar, nog steeds een klik, weten wat jij denkt, of ik, met een simpele blik. Zo mooi, zo puur, zo onmogelijk mogelijk, een raar maar waar paar, nu al meer dan vijfentwintig jaar.

Jan Nicolas

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *