oktober 29 2020

Ik ken jou toch?

De man loopt in zijn eigen, rustige tempo zijn dagelijks rondje door het vrijwel uitgestorven winkelcentrum van het dorpje waar hij al zijn hele lange leven woont en bekijkt, meer uit gewoonte dan uit interesse, de etalages. Hij verbaast zich over de veranderingen die zich tijdens zijn leven hebben voorgedaan. Zoveel als je tegenwoordig kunt kopen, dat was er in zijn jonge tijd allemaal niet.

Als hij langs de lingeriewinkel komt wordt hij, zoals gewoonlijk, een beetje verlegen. Hij durft niet goed te kijken naar wat er geëtaleerd wordt, maar nieuwsgierig is hij wel. Want hoewel hij ‘hem’ alleen nog maar gebruikt om te plassen, is dat in zijn hoofd zeker niet het geval. Met zijn hoofd een beetje schuin naar beneden gedraaid werpt hij een snelle, stiekeme blik op de etalage. Maar wat hij ziet doet hem niet blozen, maar schrikken. In de winkelruit ziet hij de weerspiegeling van een man. “Daar is die man weer”, denkt hij geschrokken. De laatste tijd ziet hij die man wel vaker. De man was zelfs een keer in zijn huis. Hij weet dat hij de man kent, maar kan zich niet goed herinneren waarvan. Wordt hij achtervolgd? Maar wat wil die man dan van hem? Geld heeft hij niet, hoewel ze tegenwoordig voor vijf euro al een mes in je donder steken.

Angstig versnelt hij zijn pas, hoewel je op zijn leeftijd en met zijn fysieke gebreken niet echt van een versnelling kunt spreken. Maar voor zijn gevoel sprint hij terug naar zijn kleine huisje aan de rand van het centrum. Bij zijn huis aangekomen krijgt hij van de zenuwen het tuinhekje niet open en ook de sleutel gaat niet echt lekker in het slot. Compleet in paniek, omdat het naar zijn gevoel elk moment met hem gebeurt kan zijn, krijgt hij uiteindelijk toch de voordeur open die hij meteen achter zich dicht gooit. Binnen merkt hij dat hij van angst ook nog in zijn broek heeft geplast. Maar dat gebeurt de laatste tijd wel vaker. Ook als hij niet angstig is.

Hij loopt met zijn natte broek nog aan naar de telefoon en drukt op de sneltoets die hem in verbinding stelt met de mobiele telefoon van zijn dochter. Zij hoort aan de angst in zijn stem dat hij serieus bang is en gaat meteen naar hem toe. In het huisje treft ze haar vader compleet overstuur aan en voor ze haar jas uitdoet moet ze hem eerst zien te kalmeren. Het duurt even, maar als ze een tweede borreltje inschenkt, dat hij dankbaar in één teug achterover gooit, krijgt hij weer wat kleur op zijn wangen. Ze helpt haar vader naar de badkamer, zodat hij zijn natte broek uit kan doen en zich even op kan frissen. Ze laat haar vader in de badkamer achter en loopt naar de keuken om voor zichzelf een wijntje in te schenken.

Ze heeft net de wijnfles vast als zij haar vader compleet in paniek hoort schreeuwen. “Daar is hij weer! Ga weg! Kijk, kijk, daar is hij weer!” Verontrust loopt zij snel naar de badkamer, bijna struikelend over het bijzettafeltje dat altijd al op een ongelukkige plek heeft gestaan. Bij de badkamer aangekomen ziet ze haar vader met grote, angstige ogen en zijn broek op zijn enkels staan. “Kijk” schreeuwt hij. “Daar is hij! Daar is die man die mij steeds achtervolgt!” En terwijl hij weer in de spiegel kijkt zegt hij: “Ik ken jou toch…”

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Ik ken jou toch?
maart 14 2020

Opa

“Ik moet je wat vertellen pa, je wordt opa”. Deze negen woorden maakten ruim twee jaar geleden dat ik spontaan mijn opa voor me zag. Een klein mannetje, het bijna kale hoofd steevast bedekt met een hoedje, altijd lachend, zelfs als er niets te lachen viel, zittend in zijn leunstoel een vrolijk deuntje fluitend tussen de kleine spleetjes van zijn tanden door, ondertussen met zijn vingers in de maat meeroffelend op de leuning en oud, stokoud. Althans, in mijn toen nog jeugdige ogen was begin zeventig knap oud.

Ik fluit zelf ook regelmatig melodietjes en doe dat ook tussen mijn tandkieren door. Alleen klinkt het niet zo mooi als bij mijn opa. Roffelen doe ik ook, tot ergernis van de rest van het gezin. Ik zeg altijd dat het een familietik is, fluiten en roffelen, maar niemand die mij geloofd. Ik wrijf even over mijn hoofd en verdomd, ik word ook nog eens kaal. Nog niet zo kaal als mijn opa, maar ik ben hard op weg. Te hard, naar mijn mening. Ik heb alvast maar een hoed gekocht, maar mag hem van mijn kinderen niet opzetten. Het maakt mij, volgens hen, een ouwe lul.

“Je wordt opa”. De woorden van mijn oudste zoon bleven nog lang doorgalmen als een goede preek in de kerk. Opa worden, dat is iets voor ouwe lullen, kleine kale mannetjes met hoeden, die de hele dag niets anders te doen hebben dan opa zijn. Het woord ‘Opa’ komt niet voor niets van het Oud Nederlandse ‘Oupa’, Oude Pa. Als mijn vrouw had gezegd “je wordt weer papa” had ik minder verbaast geweest. Maar waarschijnlijk wel harder geschrokken.

Ik heb lang na de geboorte van mijn kleinzoon in de spiegel gekeken om de opa in mezelf te ontdekken. Maar ik zag steeds slechts een man van net boven de vijftig, her en der wat rimpels, doorgegroeide oren en neus, half kalend. Maar hoe goed ik de spiegel ook afzocht, ik zag geen opa verschijnen. Ook niet als ik een melodietje ging fluiten tussen de spleetjes in mijn tanden door.

Mei 2018 was het zover. Het opa worden was opa zijn geworden. Nu zit ik in mijn leunstoel, mijn kleinzoon op schoot, terwijl ik lach, zelfs als er niets te lachen valt. Ik fluit mijn deuntje terwijl ik in de maat meeroffel, ongeduldig wachtend op het moment dat ‘de kleine’ tandjes krijgt zodat hij mee kan fluiten tussen de spleetjes in zijn melkgebitje door en gaat roffelen, vooral flink gaat roffelen.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Opa
december 31 2019

Het kind van mijn kind

Zoekend naar gelijkenissen, kijk ik naar het kind van mijn kind, op zoek naar een duidelijk ‘mijn’, een wonderlijk en kostbaar bezit, vol nog onbestemmende belevenissen, spelend, slapend, etend, een niet te bevatten verbonden zijn.

Ik luister naar zijn zachte adem, als een vlinder op een bloem, luister naar zijn jongetjesstem, vragend om alles wat hij vragen kan, en mag, in een taal die slechts hij verstaat, maar ik begrijp.

Hij kijkt naar mij, teder, springlevend, en ziet de tijdsspanne die wij samen overbruggen, meer dan twee levens. Ik luister naar de adem van dit kind van mijn kind, en besef dat geluk bij hem begint.

Jan Nicolas

Category: Gedichten | Reacties uitgeschakeld voor Het kind van mijn kind
juli 3 2019

We zijn er bijna!

“Zijn we er al bijna?”
“We zijn net vertrokken jongens, niet zeuren.”
“Oh, hoever is het dan nog?”
“Nog 1.500 kilometer.”
“Hoe lang is dat rijden?”
“We zijn morgenmiddag op de camping in Spanje.”
“Dat duurt wel lang…”
“Ja, dat duurt heel lang, dus gedraag je maar een beetje.”
“Mama, Antje knijpt mij.”
“Jongens, begint dat gesodemieter nu al? We zijn net de stad uit!”
“Hou je nu maar rustig vader, en let op de weg.”
“Mama, Klaasje trekt rare gezichten naar mij.”
“Klaasje, als je dat doet om 12 uur dan blijft je gezicht zo staan.”
“Nee hoor.”
“Jawel.”
“Oh…”
“Is het nog ver papa?”
“We zijn net in België, dus het is nog heel ver.”
“Kan je niet harder rijden vader?”
“…Zucht…”
“Als jij de caravan niet helemaal had afgeladen met blikken groente, aardappelen, 14 paar schoenen en weet ik veel hoeveel jurkjes die je toch nooit aan doet… Ja, dan had ik harder kunnen rijden…”
“Ik heb die schoenen niet voor niets bij. Je weet dat ik moeilijke voeten heb.”
“Zijn we er al bijna?”
“Mama, Jantje trekt aan mijn haar.”
“Niet waar, jij trok aan mijn haar.”
“Mama, Britje zit scheten te laten en nu stinkt het.”
“Dat is niet waar. Antje zit te stinken.”
“En nou houden jullie godverdomme jullie koppen dicht anders parkeer ik de wagen tegen een boom!”
“Zeg vader, blaffen doen we in het asiel.”
“Zeg er dan wat van moeder.”
“Let jij nu maar op de weg vader, en laat die kinderen aan mij over.”
“Jongens we gaan een liedje zingen. 3 x 3 is 9 en Jantje zingt zijn lied…”
“Ik weet geen liedje. En ik heb geen zin.”
“Zijn we er al bijna?”
“…Zucht…”
“Ik zie de Eiffeltoren.”
“Nee sukkel, dat is een elektriciteitsmast.”
Mama, Antje zegt dat ik een sukkel ben.”
“Ga slapen Jantje.”
“Ik moet plassen, papa kun je stoppen?”
“We hebben 6 uur geleden al gestopt, toen moest je niet.”
“Maar nu wel.”
“Mama, ik moet spugen!”
“Prop die kinderen dan ook niet zo vol, moeder.”
“Waar zijn we nu?”
“We zijn Parijs voorbij dus bijna over de helft.”
“Oh, echt waar?”
“Nee…”
“Slapen ze eindelijk moeder?”
“Weet ik niet. Ze zijn in ieder geval stil.”
“Heb jij de voordeur op slot gedaan toen we weggingen?”
“Nee, dat zou jij toch doen?”
“Moet ik overal aan denken?”
“Zijn we er al bijna?”
“‘We zijn bijna bij de Spaanse grens.”
“Ze controleren aan de Spaanse kant. Duurt het weer uren.”
“Waar moeten we eraf papa?”
“Je moet letten op de borden waar Blanes op staat.”
“Ik zag het als eerste.”
“Mama, Britje zei dat ze Blanes als eerste zag, maar ik zag het als eerste.”
“Jongens, nog heel even…”
“Zijn we er al bijna?”
“Ja, we zijn er bijna.”
“We zijn er bijna, we zijn er bijna, maar nog niet helemaal…”
“Wat een stom liedje…”
“Welke camping staan we?”
“Bella Terra.”
“Alweer?”
“Ja, alweer.”
“Staan we dan weer aan het strand?”
“Dat denk ik wel.”
“Jongens, papa en mama gaan even met Pepito praten om te vragen of hij een extra mooi plekje aan het strand voor ons heeft. Maken jullie geen ruzie?”
“Nee hoor…..”
“Wij zouden toch op het strand staan moeder?”
“Volgens mij zei hij dat, ja.”
“Pepito, joehoe Pepito… Wij no akie maar akie op la playa, komprendoo?”
“Gelukkig spreek jij Spaans moeder. Ik denk dat hij je begrepen heeft.”
“Nou, hij staat. Nu de voortent er nog aan.”
“Als de jongens papa nu even helpen met de voortent, gaat mama met de meisjes alvast aan de bar zitten.”
“Wij moeten altijd helpen.”
“Dat komt omdat jullie sterker zijn.”
“Godverdegodver, die stokken kloppen niet.”
“Papa, de voortent staat scheef.”
“Nee Jantje, dat hoort zo.”
“Ik wil een ijsje.”
“Ik wil een Cosi.”
“Je wilt wat?”
“Een Cosi, dat is cola en sinas door elkaar.”
“Klaasje heeft altijd stomme drankjes.”
“Je bent zelf stom.”
“Ja, en jij stinkt.”
“Hola, kaamaareeroo! Oen serveza en oen loemoembaa…’
“Wanneer gaan we terug papa?”

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor We zijn er bijna!