januari 25 2020

Het rijk alleen

“Zeg…”
“Ja…”
“Heb jij ook zin?”
“In wat?”
“Nou, gewoon…”
“Gewoon wat?”
“Gewoon, in dat…”
“Oh, dat…”
“Ja, dat…”
“Nou, daar vraag je me wat, hoor.”
“Weet jij nog hoe het moet?”
“Poeh, heel vaag, want het is weer best een tijd geleden.”
“Volgens mij moeten we op bed gaan liggen.”
“Oké, dat vind ik niet zo erg. En dan?”
“We moeten eerst onze kleren uit doen geloof ik.”
“Alles?”
“Ja, ik geloof van wel.”
“Ik weet niet of ik daar wel zo veel zin in heb.”
“Anders gaat het niet volgens mij.”
“Zo warm is het anders niet.”
“Maar met al je kleren aan kan ik er toch niet in?”
“Er in? Waar in?”
“Ik moet toch ergens in bij jou?”
“Gadverdamme man, doe niet zo smerig.”
“Nou ja, dat staat mij nog bij.”
“Ik vind het maar een smerige gedachte.”
“Maar ik moet toch ergens in, dat weet ik bijna zeker.”
“Waar wou je in dan?”
“Ja, dat weet ik dus niet meer.”
“En met wat dan?”
“Ja, ook dat is nog een goeie vraag.”
“Wat een gedoe eigenlijk hè?”
“Ja, best wel, ik heb ook eigenlijk niet zo veel zin meer.”
“Zullen we dan maar naar ‘The Voice’ gaan kijken?”
“Ja, gezellig, laten we dat maar doen.”
“Jij nog een wijntje?”
“Ja, lekker, en doe er een stukje kaas bij.”
“Gezellig, hè?”
“Ja, leuk, moeten we vaker doen.”
Jan Nicolas
Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Het rijk alleen
augustus 22 2019

Muggenziften

Ik trek de deur achter me dicht, van plan om mijn nazomeravond op het terras door te brengen. In Spanje kan dat namelijk. Wanneer ik halverwege ben schiet een afschuwelijke gedachte door mijn nog steeds zongebruinde hoofd: “Fuck, heb ik nou het licht aangelaten?” Het is niet duidelijk wat erger is. De twijfel van een al dan niet brandend licht of de gevolgen van zo’n schijnend peertje.

Ik denk niet meteen aan het effect wat deze slordigheid op mijn energierekening of uiteindelijk op Moeder Natuur heeft. Nee, het gaat mij erom dat het licht aan laten een openlijke uitnodiging is. Een hartelijke uitnodiging voor het vliegende doodseskader. Het maakt ook eigenlijk helemaal niet uit of ik een licht aanlaat. Binnen komen ze toch wel. Of ik nou mijn ramen eruit haal of mijn kamer hermetisch afsluit. Aan een ieniemienie gaatje of kiertje hebben ze al genoeg. Hun tactiek is er één waar de ninja’s in het Verre Oosten van smullen. Muggen kunnen namelijk onzichtbaar zijn. Niet met het blote oog waar te nemen. Maar ze zien mij wel. Daar bestaat geen twijfel over…

Op de muur geplakt volgen ze elke beweging die ik maak. Ze zien mij binnenkomen, ze zien mij het bed opmaken en dan zien ze mij omkleden. Met hun sensoren kiezen ze de plek van aanval zorgvuldig uit. Zoveel blote, onbedekte huid doet hen rillen van opwinding. Het verklaart meteen dat doordringende, zeurende gezoem van de sluipmoordenaars. Het is gewoon pure geilheid. Mensen maken merkwaardige geluiden in de opperste staat van opwinding. Muggen zoemen.

Terwijl ik heerlijk van mijn nachtrust geniet nemen de demonische wezens hun plan de campagne door. Het eerste bataljon wordt op pad gestuurd. Deze frontlinie bestaat vaak uit de dikste en traagste muggen van het bloedkorps. Ze zijn enkel bedoeld om mij te laten merken dat ze er zijn. Om die paniek in mijn kop te krijgen. Want die eerste muggen laten zich makkelijk pakken. Maar niet voordat ze mij hebben gewekt met hun irritante zeikgeluid. Ik veer op uit mijn bed en doe het licht direct aan. Kassa! De rest van het leger zit namelijk te wachten op dit teken. Het is het signaal om alle troepen mijn kamer binnen te laten trekken. Terwijl ik nog als een bezetene mijn kamer door ren om die trage, dikke mug te pletten, nemen de meer geavanceerde strijders allerlei strategische plekken in. Voldaan kijk ik naar de bloedvlek op de muur. Nu nog niet beseffend dat er een compleet leger over enkele tellen deze brute moord op hun kameraad zal gaan wreken.

Een uitputtingsslag is wat volgt. Hysterisch maak ik de hele nacht allerlei slaande bewegingen terwijl de muggen-generaal zorgvuldig de laatste vlieglijnen aan zijn formatie doorgeeft. Een bloedserieuze zaak is het, letterlijk. Maar er is soms ook tijd voor een lolletje. Als ik goed luister kan ik de muggen soms zelfs horen gniffelen. Dit gebeurt wanneer ze hun snelste strijders op mij af sturen. Deze gaan heel even op mijn gezicht zitten maar steken niet. Ze gaan alleen even zitten. Het gevolg is dat ik als een masochistische idioot op mijn eigen gezicht begin te meppen. De muggen zijn uiteraard allang weg en lachen zich op grote hoogte hun muggenballen uit hun muggenbroekjes. Sinistere wezens, die muggen.

Bekaf val ik weer in slaap. Mijn fysieke gesteldheid, of het ontbreken daarvan, wint het van tenslotte toch altijd weer van mijn waakzaamheid. Het is als een wapperende witte vlag. Ik geef mij onvoorwaardelijk over en de muggen trekken er op uit om hun prijs in ontvangst te nemen. De volgende ochtend ben ik een kwartier kwijt met het tellen van de bulten. Die jeukende plekjes zijn het symbool van hun overwinning en mijn verlies. Een nacht lang hebben ze mogen genieten, nu zijn ze alweer vertrokken. Op zoek naar de volgende zoete overwinning.

Maar als ik denk dat ik er nu vanaf ben, kom ik bedrogen uit. Zodra ik mijn licht weer eens laat branden begint een volgende muggen-commandant onmiddellijk aan zijn doordachte aanvalsplan. Wellicht weer eentje met ruimte voor een lolletje. Kutbeesten.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Muggenziften
februari 2 2019

Het kleine prinsesje Noëlia

Het onderstaande sprookje heb ik in 2007 geschreven, op de avond voor de geboorte van mijn dochter Noëlia. Het was de basis voor de sprookjeswebsite die ik voor haar gemaakt had (www.noelia.nl), daar wij dit leuker vonden dan de traditionele geboortekaartjes. Het uiteindelijke geboortekaartje bevatte een gedicht, dat weer gebaseerd was op dit sprookje.

In een land hier heel, heel ver vandaan, wat we voor het gemak Spanje zullen noemen, werd op een dag een klein prinsesje geboren. Dit kleine prinsesje heette Noëlia en had een echte Koning en Koningin als vader en moeder. Natuurlijk woonde het prinsesje in een groot paleis. Zo gaat dat nu eenmaal met prinsesjes in sprookjes. Hoewel de Koning en Koningin aardige ouders waren en het prinsesje alles had wat haar kleine hartje begeerde, had ze het eigenlijk helemaal niet zo naar haar zin in het grote paleis.

Het begon al met het eten. Dit moest natuurlijk ‘koninklijk’ zijn. Dus geen broodjes met hagelslag, of pasta, maar kaviaar en andere vieze dingen die kleine prinsesjes nu eenmaal niet lekker vinden. Nooit eens drinken uit een fles, maar uit een gouden beker. En als het prinsesje dan eindelijk een keer een ijsje kreeg, dan mocht ze er beslist niet mee knoeien. Stel je voor dat haar mooie prinsessenkleertjes vies werden! Nee, het leven in een groot paleis was niets voor de kleine prinses Noëlia. Waar zij ook naartoe kroop, altijd was er wel een lakei in de buurt om haar te helpen. Nooit eens zelf iets proberen, want daar had je tenslotte een lakei voor of een kamermeisje. En even lekker rennen door de lange gangen? Vergeet het maar. Dat hoort natuurlijk niet bij een echte prinses.

Op een dag gingen de koning en koningin een stukje rijden in de koninklijke koets met acht koninklijke paarden ervoor. Natuurlijk namen zij het kleine prinsesje Noëlia mee, zodat alle onderdanen kennis konden maken met de nieuwe prinses. Na een lange tocht van enkele dagen, kwamen zij aan in het uiterste puntje van het koninkrijk Spanje. Deze betoverende plek heette ‘Benidorm’. Het viel de koning en koningin op hoeveel vrolijker het kleine prinsesje Noëlia was toen zijn op deze plek aankwamen. De koning en koningin besloten een paar dagen in een herberg te overnachten in één van de vele herbergen die Benidorm rijk was. Toen het tijd was voor een kleine siësta, zag het kleine prinsesje echter haar kans schoon. Ze besloot om eens te kijken of er nog iets leuk te beleven viel in de omgeving.

Zo snel als haar kleine beentjes konden kruipen ging ze er vandoor. Ze kroop en ze kroop, en was al snel een aardig eindje uit de buurt van de herberg waar de koning en koningin hun intrek hadden genomen. Maar door de vele hoog gebouwde herbergen, was Noëlia verdwaald en wist ze niet meer of ze nu naar links of naar rechts moest gaan. En het werd zo langzamerhand ook al aardig donker. Ze besloot om toch nog maar een stukje verder te kruipen en kwam uit bij een leuk huisje, met een grote tuin en zwembad. In de tuin waren twee jongetjes aan het spelen. Deze jongetjes, die we Enrique en Jordi zullen noemen, waren alles aan het doen wat in het paleis ten strengste verboden was. Ze waren aan het voetballen en aan het rennen. Het jongetje Enrique ging op insectenjacht en het jongetje Jordi was aan het steppen. Het kleine prinsesje Noëlia keek verwonderd om zich heen en dacht: “Dit is wat ik altijd al wilde doen, maar nooit mocht!” Ze bleef kijken naar de spelende Enrique en Jordi tot haar oogjes zwaar werden en zij langzaam in slaap viel.

De volgende dag gingen Enrique en Jordi weer naar buiten om te spelen. Enrique zag het kleine prinsesje als eerste en riep zijn broertje erbij.
“Kijk Jordi,” zei Enrique, “een kleine baby met een kroontje.”
“Zou het een echt prinsesje zijn?” vroeg Jordi aan zijn oudere broer. “Ik heb namelijk altijd al een prinsessenzusje willen hebben.”
Enrique pakte de kleine baby voorzichtig op en bracht haar samen met Jordi naar zijn papa en mama. “Papa, mama kijk eens wat wij gevonden hebben in de tuin,” riep Enrique al van grote afstand.
“Toch niet weer een zwerfhond,” riep vader Jan, uit ervaring wijs geworden, terug.
“Nee papa, het is een echt klein prinsesje,” zei Jordi, terwijl hij hijgend stond bij te komen van het rennen.
“Ja, Jan,” zei moeder Jacqueline blij. “Het is een echt klein prinsesje, want zij heeft een kroontje op haar hoofd.”

Maar wat moet je doen als je een prinsesje vindt? Je weet dat je haar eigenlijk niet mag houden. Tenslotte heeft het prinsesje al een papa en een mama en die zijn dan nog vaak Koning en Koningin ook. En daar wil je geen ruzie mee.
“Wat doen we, Jan?” vroeg Jacqueline dan ook aan haar man.
“We hebben al een paar keer gevraagd aan de ooievaar om een klein zusje te brengen, maar telkens vergat hij bij ons langs te komen,” zei Jan bedenkelijk. Telkens als wij aan de beurt waren ging de ooievaar naar een ander huis en werden wij overgeslagen.”
Nu wilde het toeval dat moeder Jacqueline eigenlijk een goede heks was, die dus de mogelijkheid had om haar toverkrachten voor het goede te gebruiken.
“Wel, Jan,” zei ze slim, “ik denk dat ik de oplossing wel weet. Ik duik eens in mijn toverboek om daar de spreuk der vergetelheid te zoeken.” Jacqueline ging naar haar eigen toverkamertje, hoog in de nok van het huis en sloeg aan het toveren. Ze sprak een zware betovering uit over het kleine prinsesje Noëlia en de Koning en Koningin. De Koning en Koningin wisten vanaf dat moment niet meer dat het kleine prinsesje Noëlia ooit bij hen had gewoond en het kleine prinsesje Noëlia wist vanaf dat moment niet beter dan dat Jan en Jacqueline haar papa en mama waren. Jan nam een schep uit de schuur en begroef het kroontje dat Noëlia op had in een diepe kuil op één van de vele stranden van Benidorm.

Maar zoals dat in sprookjes gaat, kan de betovering op elk moment verbroken worden. Als iemand ooit hardop zegt dat Noëlia eigenlijk het kleine prinsesje Noëlia is, dan wordt de betovering verbroken en moet Noëlia terug naar het paleis. Iedereen was echter gelukkig; Jan en Jacqueline dat zij eindelijk een dochtertje hadden, Enrique en Jordi waren gelukkig dat zij eindelijk een klein prinsesje als zusje hadden en de Koning en Koningin wachten gewoon geduldig op de ooievaar die een nieuw prinsesje kwam brengen.
“Maar luister goed,” zei Jan streng. “Nooit, maar dan ook echt nooit mag je iemand vertellen dat Noëlia eigenlijk het kleine prinsesje Noëlia is, want dan verbreek je de betovering en moet zij terug naar de Koning en Koningin.”

Tot op de dag van vandaag heeft echter iedereen die van het geheim van prinses Noëlia op de hoogte was, zijn mond kunnen houden en is de betovering nog steeds van kracht. En de kleine Noëlia zelf? Stiekem weet zei dat ze eigenlijk Prinses Noëlia is. Ze heeft besloten dat ze de Koning en Koningin later wel eens een briefje zal schrijven en hen zal opzoeken in het paleis. Maar tot die tijd kan ze lekker rennen en broodjes met hagelslag eten of knoeien met een ijsje. Toch weet ze één ding zeker: Later als ze groot is trouwt ze wel met een knappe prins, want tenslotte is ze niet voor niets als prinsesje geboren.

Dus als je dit leest, weet dan dat je een groot geheim met je mee draagt en dat je tegen iedereen je mond moet houden over Noëlia die eigenlijk, heel stiekem, als klein prinsesje geboren is.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Het kleine prinsesje Noëlia
januari 31 2019

Mag het licht uit?

“Als je dood bent, dan ben je dood. Je kan bidden tot je een ons weegt, als je dood bent is het over en uit. Finito. Dan is er niets meer.” De oude vrouw spreekt vermoeid tegen de nog veel oudere man naast naar bed. Een lang leven heeft haar volledig uitgeput. Ze wil nog maar één ding: Slapen, lekker lang slapen.

“Er is geen God, Allah, Boeddha of hiernamaals. Hierna is er niets dan duisternis. Leven na de dood? Laat me niet lachen. Als je een beetje nadenkt, is dat eenvoudigweg onmogelijk,” spreekt ze verder. “Er is ooit berekend dat er al meer dan 100 miljard mensen voor ons zijn geweest. Als al die mensen en de mensen die nog na ons komen, ook naar de hemel gaan, dan wordt dat een knap drukke bedoening, denk je ook niet?”

Ze kijkt de oude man recht aan, haalt een paar keer diep adem en gaat weer verder met haar relaas. “Ik moet er niet aan denken om bepaalde personen na mijn dood weer tegen te komen. Ik ben blij dat ik eindelijk van hen af ben. Dan wil ik niet voor eeuwig met hen opgescheept zitten. Nee, als we dood zijn weten we niets meer en zullen we vergeten worden. Ons lichaam zal verbrand worden of verrotten onder de grond. Af en toe komt er nog iemand bij je grafsteen staan janken, maar ook dat gaat voorbij. Trouwens, van mij had het hele leven niet gehoeven. Niemand heeft mij gevraagd om geboren te worden, maar ik ben wel gedwongen geweest het hele leven te leven.”

Na een diepe moeizame zucht gaat ze verder. “Ik heb alleen maar narigheid gezien. Oorlog, honger, moord en doodslag. Een grote bak ellende. Met welk doel? Nee, als er een God bestaat, dan was het van hem geen goed idee om het leven uit te vinden. De hel en de hemel? Kom op zeg, dat is toch een door pedofiele mannen in jurken uitgevonden leugen? Met als enig doel om ons te onderdrukken. Maar ach, voor mij zit het er bijna op. Ben er niet rouwig om. Kan er geen moment van wakker liggen.”

Ze mompelt nog wat, om vervolgens vreedzaam weg te zakken in een diepe slaap. De oude man kijkt naar haar en stapt langzaam bij haar bed vandaan, terwijl hij zijn ogen liefdevol op haar laat rusten. En voordat God zachtjes de deur van haar slaapkamer achter zich dichttrekt doet hij het licht uit.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Mag het licht uit?