februari 21 2021

Open brief aan mevrouw Dap

Geachte mevrouw Dap,

Met de grootst mogelijke verbazing en ontzetting heb ik gelezen dat uw zoontje, Dikkertje, ‘s morgens vroeg om kwart over zeven, zonder enig ouderlijk toezicht, in Artis was. Hierbij heeft hij zichzelf op illegale wijze toegang verschaft tot het giraffenverblijf en is daar op een bijna 5 meter hoge trap geklommen.

Vertelt u mij, mevrouw Dap, wat doet uw zoontje, helemaal alleen, om kwart over zeven ‘s ochtends in een dierentuin? Ja, u kunt nu wel stellen dat hij ‘de giraf een klontje wilde geven’, maar had u hem niet even vooraf kunnen vertellen dat klontjes verschrikkelijk slecht zijn voor giraffen? Of denkt u werkelijk dat die borden ‘verboden te voederen’ er voor niets staan? Vervolgens moet ik lezen dat uw zoontje Dikkertje allerlei onzin in het oor van de giraf heeft gefluisterd. Dat hij rode laarsjes heeft gekregen voor de regen, dat hij kan rekenen, tekenen en dat hij ABC kan spellen.

Mevrouw Dap, als een kind ABC kan zeggen, heeft dat geen hol met spellen te maken. Een woord spel je, dit zijn slechts de eerste 3 letters van het alfabet. Natuurlijk, meer kinderen praten tegen een huisdier, hoewel ik met de beste wil van de wereld een giraf niet echt tot een huisdier kan rekenen. Wat echt heel kwalijk is, is dat u uw zoontje de gelegenheid heeft gegeven om van uw geestverruimende middelen te snoepen. Of denkt u werkelijk dat het normaal is dat een kind een giraf hoort praten? Wat voor draak van een moeder bent u trouwens, als u uw zoon, die klaarblijkelijk niet één van de magerste is, ‘Dikkertje’ noemt? U heet al ‘Dap’ met u achternaam, was dat gegeven op zich al niet kwetsend genoeg voor de kleine Dikkertje? Of is het waar wat ze zeggen, dat u eigenlijk Pad heet, maar de familienaam heeft omgedraaid, omdat er anders ‘Dikke Pad’ in zijn paspoort zou staan?

Maar het ergste van alles vind ik nog wel dat die mollige kleuter ook nog eens van de nek van die giraf af heeft gegleden. Er zijn al bijna geen giraffen meer over, mevrouw Dap, maar toch vindt uw zoon het schijnbaar nodig om met zijn dikke reet het aantal giraffen met één te verminderen. Dit uitsluitend door met zijn niet geringe overgewicht de nek van die lieve giraf te pletten.

Ik wil u dan ook vriendelijk verzoeken uw zoon streng toe te spreken en hem duidelijk te maken dat bepaalde zaken echt niet kunnen.

Met vriendelijke groeten,

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Open brief aan mevrouw Dap
februari 2 2019

Het kleine prinsesje Noëlia

Het onderstaande sprookje heb ik in 2007 geschreven, op de avond voor de geboorte van mijn dochter Noëlia. Het was de basis voor de sprookjeswebsite die ik voor haar gemaakt had (www.noelia.nl), daar wij dit leuker vonden dan de traditionele geboortekaartjes. Het uiteindelijke geboortekaartje bevatte een gedicht, dat weer gebaseerd was op dit sprookje.

In een land hier heel, heel ver vandaan, wat we voor het gemak Spanje zullen noemen, werd op een dag een klein prinsesje geboren. Dit kleine prinsesje heette Noëlia en had een echte Koning en Koningin als vader en moeder. Natuurlijk woonde het prinsesje in een groot paleis. Zo gaat dat nu eenmaal met prinsesjes in sprookjes. Hoewel de Koning en Koningin aardige ouders waren en het prinsesje alles had wat haar kleine hartje begeerde, had ze het eigenlijk helemaal niet zo naar haar zin in het grote paleis.

Het begon al met het eten. Dit moest natuurlijk ‘koninklijk’ zijn. Dus geen broodjes met hagelslag, of pasta, maar kaviaar en andere vieze dingen die kleine prinsesjes nu eenmaal niet lekker vinden. Nooit eens drinken uit een fles, maar uit een gouden beker. En als het prinsesje dan eindelijk een keer een ijsje kreeg, dan mocht ze er beslist niet mee knoeien. Stel je voor dat haar mooie prinsessenkleertjes vies werden! Nee, het leven in een groot paleis was niets voor de kleine prinses Noëlia. Waar zij ook naartoe kroop, altijd was er wel een lakei in de buurt om haar te helpen. Nooit eens zelf iets proberen, want daar had je tenslotte een lakei voor of een kamermeisje. En even lekker rennen door de lange gangen? Vergeet het maar. Dat hoort natuurlijk niet bij een echte prinses.

Op een dag gingen de koning en koningin een stukje rijden in de koninklijke koets met acht koninklijke paarden ervoor. Natuurlijk namen zij het kleine prinsesje Noëlia mee, zodat alle onderdanen kennis konden maken met de nieuwe prinses. Na een lange tocht van enkele dagen, kwamen zij aan in het uiterste puntje van het koninkrijk Spanje. Deze betoverende plek heette ‘Benidorm’. Het viel de koning en koningin op hoeveel vrolijker het kleine prinsesje Noëlia was toen zijn op deze plek aankwamen. De koning en koningin besloten een paar dagen in een herberg te overnachten in één van de vele herbergen die Benidorm rijk was. Toen het tijd was voor een kleine siësta, zag het kleine prinsesje echter haar kans schoon. Ze besloot om eens te kijken of er nog iets leuk te beleven viel in de omgeving.

Zo snel als haar kleine beentjes konden kruipen ging ze er vandoor. Ze kroop en ze kroop, en was al snel een aardig eindje uit de buurt van de herberg waar de koning en koningin hun intrek hadden genomen. Maar door de vele hoog gebouwde herbergen, was Noëlia verdwaald en wist ze niet meer of ze nu naar links of naar rechts moest gaan. En het werd zo langzamerhand ook al aardig donker. Ze besloot om toch nog maar een stukje verder te kruipen en kwam uit bij een leuk huisje, met een grote tuin en zwembad. In de tuin waren twee jongetjes aan het spelen. Deze jongetjes, die we Enrique en Jordi zullen noemen, waren alles aan het doen wat in het paleis ten strengste verboden was. Ze waren aan het voetballen en aan het rennen. Het jongetje Enrique ging op insectenjacht en het jongetje Jordi was aan het steppen. Het kleine prinsesje Noëlia keek verwonderd om zich heen en dacht: “Dit is wat ik altijd al wilde doen, maar nooit mocht!” Ze bleef kijken naar de spelende Enrique en Jordi tot haar oogjes zwaar werden en zij langzaam in slaap viel.

De volgende dag gingen Enrique en Jordi weer naar buiten om te spelen. Enrique zag het kleine prinsesje als eerste en riep zijn broertje erbij.
“Kijk Jordi,” zei Enrique, “een kleine baby met een kroontje.”
“Zou het een echt prinsesje zijn?” vroeg Jordi aan zijn oudere broer. “Ik heb namelijk altijd al een prinsessenzusje willen hebben.”
Enrique pakte de kleine baby voorzichtig op en bracht haar samen met Jordi naar zijn papa en mama. “Papa, mama kijk eens wat wij gevonden hebben in de tuin,” riep Enrique al van grote afstand.
“Toch niet weer een zwerfhond,” riep vader Jan, uit ervaring wijs geworden, terug.
“Nee papa, het is een echt klein prinsesje,” zei Jordi, terwijl hij hijgend stond bij te komen van het rennen.
“Ja, Jan,” zei moeder Jacqueline blij. “Het is een echt klein prinsesje, want zij heeft een kroontje op haar hoofd.”

Maar wat moet je doen als je een prinsesje vindt? Je weet dat je haar eigenlijk niet mag houden. Tenslotte heeft het prinsesje al een papa en een mama en die zijn dan nog vaak Koning en Koningin ook. En daar wil je geen ruzie mee.
“Wat doen we, Jan?” vroeg Jacqueline dan ook aan haar man.
“We hebben al een paar keer gevraagd aan de ooievaar om een klein zusje te brengen, maar telkens vergat hij bij ons langs te komen,” zei Jan bedenkelijk. Telkens als wij aan de beurt waren ging de ooievaar naar een ander huis en werden wij overgeslagen.”
Nu wilde het toeval dat moeder Jacqueline eigenlijk een goede heks was, die dus de mogelijkheid had om haar toverkrachten voor het goede te gebruiken.
“Wel, Jan,” zei ze slim, “ik denk dat ik de oplossing wel weet. Ik duik eens in mijn toverboek om daar de spreuk der vergetelheid te zoeken.” Jacqueline ging naar haar eigen toverkamertje, hoog in de nok van het huis en sloeg aan het toveren. Ze sprak een zware betovering uit over het kleine prinsesje Noëlia en de Koning en Koningin. De Koning en Koningin wisten vanaf dat moment niet meer dat het kleine prinsesje Noëlia ooit bij hen had gewoond en het kleine prinsesje Noëlia wist vanaf dat moment niet beter dan dat Jan en Jacqueline haar papa en mama waren. Jan nam een schep uit de schuur en begroef het kroontje dat Noëlia op had in een diepe kuil op één van de vele stranden van Benidorm.

Maar zoals dat in sprookjes gaat, kan de betovering op elk moment verbroken worden. Als iemand ooit hardop zegt dat Noëlia eigenlijk het kleine prinsesje Noëlia is, dan wordt de betovering verbroken en moet Noëlia terug naar het paleis. Iedereen was echter gelukkig; Jan en Jacqueline dat zij eindelijk een dochtertje hadden, Enrique en Jordi waren gelukkig dat zij eindelijk een klein prinsesje als zusje hadden en de Koning en Koningin wachten gewoon geduldig op de ooievaar die een nieuw prinsesje kwam brengen.
“Maar luister goed,” zei Jan streng. “Nooit, maar dan ook echt nooit mag je iemand vertellen dat Noëlia eigenlijk het kleine prinsesje Noëlia is, want dan verbreek je de betovering en moet zij terug naar de Koning en Koningin.”

Tot op de dag van vandaag heeft echter iedereen die van het geheim van prinses Noëlia op de hoogte was, zijn mond kunnen houden en is de betovering nog steeds van kracht. En de kleine Noëlia zelf? Stiekem weet zei dat ze eigenlijk Prinses Noëlia is. Ze heeft besloten dat ze de Koning en Koningin later wel eens een briefje zal schrijven en hen zal opzoeken in het paleis. Maar tot die tijd kan ze lekker rennen en broodjes met hagelslag eten of knoeien met een ijsje. Toch weet ze één ding zeker: Later als ze groot is trouwt ze wel met een knappe prins, want tenslotte is ze niet voor niets als prinsesje geboren.

Dus als je dit leest, weet dan dat je een groot geheim met je mee draagt en dat je tegen iedereen je mond moet houden over Noëlia die eigenlijk, heel stiekem, als klein prinsesje geboren is.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Het kleine prinsesje Noëlia
oktober 21 2018

Wat gaan we doen vandaag?

“Gaan we nog iets leuks doen vandaag?”, vraagt mijn lieftallige echtgenote. Ik verwachtte hem al. Het is de standaardvraag op zondag als we aan het standaard ontbijtje zitten met de twee standaard croissantjes, het standaard theetje en het standaard eitje.

“Het eitje smaakt me niet zo goed vandaag, een andere legbatterij?”, vraag ik vanuit een vooraf doordachte afleidingsmanoeuvre, want ik heb totaal geen zin in iets leuks. Het regent steeds dat het giet, dus dat maakt ‘wat leuks’ op voorhand al een stuk minder leuk “Nee, deze zijn gewoon van dezelfde boer hoor”, zegt ze ietwat verbaasd. “Ik proef echt verschil. Er zit een flauw smaakje aan en het ruikt een beetje naar natte hond. Er is iets vreemds mee. Hapje?” Ik houd het lepeltje met eigeel in haar richting. Ze schudt haar hoofd.

“Nee, dank je, ik heb geen zin in ei.” Ik steek het lepeltje terug in de nog halfvolle eierschaal. “We kunnen wel even bij mijn moeder langs….”, stelt ze voorzichtig voor. “Ik ben toch wel een beetje misselijk aan het worden van dat eitje”, kwek ik ontwijkend. “Zal ik haar even bellen?”, ze gaat onverstoorbaar verder. Ik haal mijn schouders op. “Of verwacht je dat je met een uurtje aan de monitor op de IC ligt?” Ze heeft het blijkbaar toch gehoord. Ik schud mijn hoofd. “Dat niet, maar helemaal lekker ligt hij niet.” “Zal ik dan maar even bellen?”, dringt ze aan. Vervolgens: “Hoe laat denk je dat we klaar zijn?” Ik speel ietwat ongeïnteresseerd met het lepeltje in het eierprutje.

“Hebben we niks anders?”, vraag ik al starend naar het dopje. “Ja, hallo, ik vraag je net wat we gaan doen vandaag, en dan zeg je niks.” Er begint een lichte vorm van irritatie door te klinken in haar stem. “Ik was bezig met dat ei, lieverd, en ik kan natuurlijk maar één ding tegelijk.” Open deur tactiek. Als het goed is schakelt ze nu over op het cliché. ‘Ja, jullie mannen kunnen altijd maar één ding tegelijk’. Bingo! Ach, zo voorspelbaar die vrouwen.

“We kunnen ook gewoon een eindje gaan lopen, want het is even gestopt met regenen en het zonnetje schijnt”, stel ik veilig voor. Ik denk aan haar aambeien. Ze trekt een chagrijnig gezicht en ontwijkt nu zelf. “Dan zijn we met een uurtje terug, of nog sneller, want ik zie al weer een donkere lucht aankomen en wat gaan we dan doen?” Ik voel vooruitgang en geef onmiddellijk gas. “Nee, de hele ochtend bij je moeder hangen en dat gezwam aanhoren over ingescheurde kalknagels en de problemen met haar darmflora. Het eitje boert me trouwens behoorlijk op.”

Ze zucht. “Wees blij dat ze er nog is.” Er brand impulsief een antwoord op mijn lippen maar het dooft voordat er brandschade kon ontstaan. “Kom op schat, verzin nu eens ècht iets leuks”, het komt uit mijn tenen. “Jij kunt toch ook wel een keer wat verzinnen?”, kaatst ze terug. “Ik moet altijd dingen bedenken.” “Eindje lopen stel ik toch voor? Daar is toch niets mis mee? Gaan we onderweg op een terrasje wat drinken.”

“Dan zijn we twee uurtjes verder”, concludeert ze. “En wat dan?” “Oké, dan gaan we een heel eind lopen en een bakkie doen bij Herman. Die is ook maar alleen sinds zijn scheiding.” “Nee, de hele middag bij die zeikerd hangen en die zwamverhalen over de scheiding aanhoren. Daar heb ík geen zin in. En dan, met mijn aambeien.” Ik denk even na. Ik zit op ramkoers. “Dan gaan we zo meteen eerst naar jouw moeder, maar dan vanmiddag ook naar Herman. Met de auto.” Een niet zo aanlokkelijk compromis maar wel tactisch.

Ze zucht diep en kijkt me aan. “Het eitje zit je echt niet lekker hè ?”, zegt ze. “Je ziet zo wit.” “Kun je het zien?”, vraag ik met een licht medelijdend snikje, terwijl ik een niet bestaande zweetdruppel van mijn voorhoofd dep. Ze knikt. Ik zeg even niets want ik zie de eindstreep naderen. “Dan ga ik dat truitje maar even afbreien”, besluit ze dan. “Vind je het erg?” Ik laat een tactische stilte vallen… “Nee hoor lieverd, ik pas me zoals gebruikelijk wel weer aan.”

Voor de duidelijkheid; Dit verhaal is fictie. Mijn vrouw heeft geen aambeien, ik ken geen Herman en bij mijn schoonmoeder ben ik al 15 jaar niet geweest en dat wil ik graag zo houden.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Wat gaan we doen vandaag?
september 24 2018

Jeugdparadijs

Liggend in het gras, starend naar de blauwe lucht, fantaserend dat ik een kindje was. De geur van spruitjes, draadjesvlees, rooklucht, de geur van meubelwas. Smeulend hout knisperend in het vuur, warmte gevend in koude nachten.

Kijkend in de vlammen, warm en puur, denkend aan mijn gedachten. Alles zo veilig en zo vertrouwd, geluk zoals geluk moet zijn. Mijn wereld was mijn paradijs, veilig, gewoon heel fijn.

Had ik maar drie wensen, dan gebruikte ik er één. Dan wenste ik een enkele reis, naar vroeger mijn ouderlijk huis, mijn jeugdparadijs, terug naar voorheen.

Jan Nicolas

Category: Gedichten | Reacties uitgeschakeld voor Jeugdparadijs