september 20 2021

Voorbipsbalkon

Er bereiken mij signalen dat het weer eens tijd wordt voor een bezoek aan de kapper. Als ik met open raam rij staat mijn haar namelijk naar één kant. En dat is knap als je haar zelden langer wordt dan enkele millimeters. Lekker makkelijk en het zit altijd goed. Nadeel is dat je dan vrij regelmatig je opwachting mag maken bij de kapper. Of de ‘haarstylist’ zoals dat tegenwoordig heet. Ik vertaal het altijd als ‘de kapper met de Franse slag’, oftewel het werk wordt uitgevoerd als een tweetrapsraket. Je moet altijd terug om het af te laten maken, omdat er de volgende dag ineens, als vanuit het niets, overal nog lange haren zitten. ‘Antennes’ noemt mijn dochter die sprieten.

Onze haarstylist is behoorlijk modern en zorgt ervoor dat het personeel regelmatig wordt bijgeschoold. En dat merk je ook. Tenminste, bij de Señorita die aan mijn kop moest knagen. De recente training heeft ongetwijfeld betrekking gehad op ‘hoe houd ik mijn klant afgeleid’. En dat komt tot uiting in een oeverloos dom gezwam over koeien en kalveren. Vreselijk. Het begint al met de vraag of ik ‘iets moet worden bijgeknipt’, of dat er sprake moet zijn van ‘een complete tondeuse behandeling’. Ik kies voor het laatste omdat het eerste nu eenmaal niet kan. Ik zeg het haar en ze lacht. Werkt nog steeds dat oud en belegen grapje.

Het ding is blond, of eigenlijk meer gebleekt, albinowit, en hangt met haar iets te grote hangboezem flink in mijn nek. Als een soort voorbipsbalkon. Deze haarstylist heeft namelijk geen stoelen die je op kunt pompen. Je moet als klant onderuit zakken zodat het knipding er bij kan. Nu moet je weten dat ik fors langer ben dan de gemiddelde Nederlandse man en het kappersvrouwtje ver onder het gemiddelde is van de Spaanse vrouw. Zeg maar de lengte van een flinke Nederlandse kleuter. Ik zit dus bijna met mijn nek in de stoel, op de plaats waar je normaal gesproken met je kont gaat zitten. Het standaard schort wordt dicht gesjord, dusdanig strak dat mijn hoofd al snel de kleur heeft van een overrijpe pruim en meteen word ik bestookt met vragen die ze pas heeft geleerd.

“Gaat u nog iets leuks doen dit weekend?” Ja, ja, het is maandagochtend. Nog een hele werkweek te gaan.
“Nee, ik heb nog geen plannen,” zeg ik. “We zijn net een paar dagen weggeweest op een minitrip.” Stom natuurlijk, want nu kan ze doorborduren.
“Waar bent u geweest?”
“In Barcelona.”
“O, leuk, Barcelona lijkt me zó leuk.” mekkert het schaap. “In een hotel geweest?”
“Nee, in een huisje op een camping.”
“O, een camping lijkt me zó leuk.”
Het sneeuwt inmiddels grijze haren en vanwege het binnendringende geluid begrijp ik dat ze mij bewerkt met een tondeuse.
“Zomaar een paar daagjes er lekker tussenuit?”
“Ja,” antwoord ik zo kort mogelijk.
“En gaat u nog meer op vakantie dit jaar?” vraagt ze.
“Misschien doen we nog een weekje Canarische Eilanden in september.”
“O, de Canarische Eilanden, dat lijkt me zó leuk.”

Nou, dat zou zomaar eens helemaal niet ‘zó leuk’ kunnen worden bedenk ik mij, met het spookbeeld van de landing van boten vol vluchtelingen voor ogen. Ik zie mezelf al op het strand liggen terwijl er een boot vol ellende aanspoelt. Ik zeg het haar.
“Wat zijn dat dan, bootvluchtelingen?” Ik kijk haar via de spiegel aan, vraag me af of ik niet stiekem in de zeik word genomen, maar één blik op haar gelaat is voldoende om het fenomeen summier aan haar uit te leggen. Ze knikt maar snapt er volgens mij geen reet van. Waarschijnlijk zijn tijdens het bleken van haar kapsel meteen ook haar hersenen mee gebleekt. Of verschrompelt. Tot formaat walnoot.

Ze trekt vervolgens haar boezem uit mijn nek, mij met een flinke hernia achterlatend, veegt nog wat laatste restjes haar weg en smeert een vette zalf in mijn nek die mijn pas aangeschafte polo meteen ruïneert. Ik zie in de spiegel een aantal ‘antennes’ die ze over het blonde hoofd heeft gezien, maar zeg maar niets. Te weinig voor de tweede trap. Thuis even bijwerken met de schaar. Ik ben klaar met het domme gezwam. Ze kijkt me lachend aan. Wachtend op een complimentje.

“Verder nog iets gewenst?” zegt ze tenslotte als enig compliment van mijn kant uitblijft. Ik schut mijn gestekelde hoofd en betaal. Acht euro. Je zou bijna denken dat ik er voor de lage prijs heen ga en niet voor de kwalitatief goede kapsters. “Ik wens u een fijn weekend meneer. Trouwens, Canarische Eilanden met een boot, dat lijkt me zó leuk!” Ze borstelt als service nog even mijn rug. De kapper in mijn dorpje. Echt zó leuk!

Jan Nicolas

Category: Columns | LEAVE A COMMENT