januari 26 2019

Het sprookje van Heksje Reksefleksjeboterhammenmetpindakaas

In een land hier ver, heel ver vandaan, of je moet er dichtbij wonen, woont een heksje. Haar naam is ‘Heksje Reksefleksjeboterhammenmetpindakaas’. Dat is best een beetje een rare naam voor een heksje, maar ik kan haar moeilijk Marie noemen, of Anna, want heksen heten nu eenmaal geen Marie of Anna. Maar vooruit, we hebben geluk, want haar vrienden noemen haar Heksje Reksje, en hele goede vrienden mogen zelfs alleen Reksje zeggen. Maar die heeft ze niet, dus zo is ze nog nooit genoemd. Nu moet je niet denken “dan word ik wel haar beste vriend en noem ik haar gewoon Reksje”, want voor je het weet ga je in het vervolg als kikker door het leven. En dan mag je nog van geluk spreken dat ze niet chagrijnig is. Want geloof me, Heksje Reksje heeft alle reden om flink chagrijnig te zijn…

De toverkol woont namelijk op een klein eilandje midden in een groot meer. En ze woont daar niet sinds vandaag of gisteren, nee, ze woont daar al dik 600 jaar, helemaal alleen. Zielig hè? Haha, echt niet. Je wilt toch niet dat zo’n lelijkerd met haar dikke kont naast je komt wonen zeker? Elke dag die zwarte kat die in je tuin komt kakken, de niet te harden lucht van toverbrouwseltjes, nee, laat haar maar op dat eilandje blijven zitten. Prima geregeld. Maar goed, terzake. In haar toverhut, een oude jagershut die eigenlijk de naam ‘hut’ al lange tijd niet meer waardig is, doet ze de was en kookt ze elke dag een lekker heksenmaaltje. ´s Middags loopt ze een rondje over haar eilandje om te kijken of alles in orde is. Tenslotte weet je het vandaag de dag maar nooit. En als de zon net onder is, zo’n beetje na het avondeten, oefent ze haar toverspreuken. Eigenlijk van die dingen die elke heks doet wanneer ze zich de rambam verveelt. Maar toch is er iets raars met Heksje Reksje aan de hand.

Exact 100 Jaar geleden, werkelijk op de dag af, toen ze met haar bootje op de vijver visjes aan het vangen was, was het bootje gaan wiebelen en haar bezem uit het bootje gevallen. Ze had nog geprobeerd om de bezem uit het water te vissen maar ze kon hem niet meer te pakken krijgen. Nu moet je weten dat heksen over het algemeen erg beroerde zwemmers zijn en deze heks was de meest slechte zwemmer van allemaal. Dus even het water induiken was er voor haar niet bij. Erg jammer voor Heksje Reksje, want vanaf die tijd kon ze dus niet meer vliegen en moest ze op haar eilandje blijven. En ze verveelt zich daar verschrikkelijk. Het is dan ook geen Ibiza hè, dat eilandje van haar. In krap 10 minuten ben je het eiland rond gelopen, en dan bedoel ik in een tempo van een achteruit lopende, slecht ter been zijnde, bejaarde vrouw.

Op een dag zit Heksje Reksje op haar eilandje te kijken naar de sterren in de lucht. Ze zag er een heleboel. Wel 6.042.865. Nou ja, ongeveer zoveel, bij benadering ook nog, want elke keer als ze de sterren uit pure verveling probeert te tellen, valt ze, wanneer ze bijna klaar is, steevast in slaap en moet ze de volgende avond weer opnieuw beginnen. De sterren fonkelen als kleine lichtjes in de donkere lucht. Ze vindt ze zo mooi dat ze eigenlijk zelf ook wel een paar sterren wil hebben. Met haar handen probeert ze de sterren te pakken. Maar wat ze ook probeert en hoe hoog ze ook springt, het lukt haar niet. Dan bedenkt ze dat ze de sterren misschien wel met een toverspreuk zou kunnen krijgen. Van haar moeder, die toevallig ook heks was, had ze heel vroeger eens het grote-toverspreuken-boek gekregen. Daarin staan allemaal hele belangrijke toverspreuken. Zo kan je met die spreuken iemand in een kikker veranderen (ja, je dacht dat ik blufte hè? Dat dacht Willem Alexander ook), een verschrikkelijk toverdrankje maken, of zelfs een olifant laten vliegen. Ze pakt het boek en gaat op zoek naar een toverspreuk waarmee ze de sterren kan vangen. Na even flink zoeken vindt ze een spreuk:

Sterretje, mooi sterretje,
jij schittert daar zo blij,
maar hatsie, hatsie, hatseflats,
nu ben je helemaal van mij.

En ik lieg het niet hè, ik lieg het niet, maar de toverspreuk werkt! Helemaal verbaast kijkt Heksje Reksje naar haar handen waarin een mooie ster ligt te schitteren. Ze is dan ook ongelofelijk trots op zichzelf, want dit is toevallig wel een hele ingewikkelde tovertruc. Het verhaal gaat dat zelfs Hans Kazan en Hans Klok zich nooit aan deze truc hebben gewaagd. Maar of dat waar is, weet ik niet. En ja, nu is het hek van de dam natuurlijk, want elke keer als Heksje Reksje zich nu zit te vervelen, en dat is eigenlijk altijd, zegt ze even; “Sterretje, mooi sterretje, jij schittert daar zo blij, maar hatsie, hatsie, hatseflats, nu ben je helemaal van mij”. En tja, je begrijpt het denk ik al wel (zo niet, dan heb je pech, want ik ga het echt niet allemaal uileggen) is ze bezig een flink deel van de sterren te vangen. Misschien wel vijftig. Of zestig. Nou ja, in ieder geval meer dan één. Ze hangt ze in elke boom die op het eilandje staat. En ´s avonds gaat ze dan bij het ieniemienie bosje zitten en kijkt naar alle sterren die ze al gevangen heeft. En ze is er maar wat trots op. Leuke bijkomstigheid is dat ze zich nu niet meer zo alleen voelt met al haar sterrenvriendjes in de bomen.

Maar het is een sprookje en sprookjes zijn nooit vrolijk. Dan is er namelijk geen zak aan. Dus als Heksje Reksje op een avond weer eens naar haar sterrenbomen aan het kijken is gebeurt er iets heel raars. “Wat precies?” vraag je jezelf af. Nou, gewoon, iets heel raars. Dat staat er toch? Maar goed, ik ben de beroerdste niet en zal het je vertellen. Anders lig je weer de hele nacht wakker. De sterren waren gestopt met fonkelen! Dat is wat er aan de hand is. De heks schrikt zich een toverhoedje. “Hoe kan dat nu?” denkt ze. Ze schut aan de boom in de hoop dat de sterren weer gaan fonkelen. Maar er gebeurt niets, helemaal niets. “Wacht,” denkt het heksje, “Ik zal de toverspreuk nog een keertje doen.”

Sterretje, mooi sterretje,
jij schittert daar zo blij,
maar hatsie, hatsie, hatseflats,
nu ben je helemaal van mij.

Maar zelfs dat helpt niet. Dan hoort ze ineens een stem; “Hier spreekt de Sterrenkoning… Zeg Heksje Reksje, wat ben je allemaal aan het doen? Zo blijven er straks geen sterren aan de hemel meer over! Weet jij niet dat het verboden is om sterren te vangen? De sterren zijn er namelijk voor iedereen. Voor jou en mij, maar ook voor alle andere mensen. Ze moeten fonkelen aan de donkere hemel en de weg wijzen aan mensen die verdwaald zijn. Zonder de sterren wordt het veel te donker ´s nachts. Dat kan echt niet hoor.” Maar de Sterrenkoning is de lulligste niet en begrijpt dat Heksje Reksje heel eenzaam is op haar eilandje. En dat zij zich heel erg verveelt, zeker nu haar sterrenvriendjes weer terug moeten naar de hemel. Dus stapt de Sterrenkoning in zijn bootje en vaart naar het eilandje van Heksje Reksje.

“Zeg heksje, ik weet het goed gemaakt. Ik neem de sterren weer mee zodat ik ze weer aan de hemel kan hangen. In ruil daarvoor krijg jij van mij een cadeautje.” Dat lijkt Heksje Reksje wel wat, want ze is erg nieuwsgierig en dol op cadeautjes. En eigenlijk zijn die sterren nou ook weer niet zo verschrikkelijk mooi als ze in eerste instantie leken. Beetje duf ook, van die domme sterren in die mooie bomen. Snel verzamelt ze dan ook de sterren zodat de Sterrenkoning ze weer mee kan nemen. De Sterrenkoning loopt even terug naar zijn bootje om daar de sterren in te mikken en komt terug met het beloofde cadeautje.

Maar hè, wat is dat? Het lijkt wel… het lijkt wel… ja, het is echt waar. Het is een bezem! En nou moet je niet gaan denken dat die Sterrenkoning haar strafcorvee geeft, hè. Het is namelijk niet zomaar een bezem, maar een echte toverbezem, waarmee je kan vliegen. Tenminste, als je heks bent, anders niet. En echt, ik lieg het niet, het heksje krijgt een glimlach op haar gezicht, tranen van vreugde rollen over haar heksenwangen. Nu hoeft ze niet altijd meer op haar eilandje te blijven. En wanneer ze zich verveelt, dan kan ze naar haar heksenvriendjes en -vriendinnetjes toe vliegen. Het heksje is heel gelukkig en hoeft nu ook geen sterren meer te vangen.

En nu denk je natuurlijk, “ja, leuk verhaal hoor Jantje, lekker uit je dikke vinger gezogen”. Maar nee, want als je, als het nog net niet donker is, naar buiten kijkt, maar dan echt heel goed kijken hè, zo goed dat je ogen pijn gaan doen, dan kan je, als je een beetje mazzel hebt, Heksje Reksje zien vliegen, op de bezem die zij van de Sterrenkoning heeft gekregen. En zoals dat hoort, leeft het heksje nog wel drieduizend jaar lang en heel gelukkig.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Het sprookje van Heksje Reksefleksjeboterhammenmetpindakaas
januari 13 2019

Heksje Kierewiet · Deel 3 en slot

(Een modern sprookje)

…Nog voor meneer Nicolas bij de deur was, vloog deze als vanzelf open. In de deuropening stond één van de mooiste vrouwen die meneer Nicolas ooit had gezien. Het leek wel een prinses, maar dan een mooie prinses. Niet zo’n lelijke die je de laatste tijd op televisie voorbij ziet komen. De mooie dame had blond haar, dat net te zien was onder haar capuchon, een bezem onder haar arm en een witte Perzische kater, die haar been de hele tijd kopjes gaf. Meneer Nicolas stond met open mond de dame aan te staren. En Kobus hield spontaan op met fluiten.

“U bent meneer Nicolas?” vroeg de mooie dame. Meneer Nicolas kon alleen maar knikken, want hij vertrouwde niet helemaal op zijn stem. “Dat is dan heel mooi” zei de mooie dame. “Mijn naam is Wietje. De mensen noemen mij ook wel Heksje Kierewiet, maar dan alleen achter mijn rug. Ik wil u laten weten dat ik het een beetje zat ben dat u zoveel onzin over mij vertelt. Uw zogenaamde heksenverhalen, die slaan werkelijk nergens op.” Meneer van Oranje wist even niets terug te zeggen. Hij werd zelfs een beetje bang. “Ga toch weg jij, ga toch alsjeblieft weg” riep hij angstig.

Kobus, die eerst totaal niet begreep waarom zijn baasje zich zo vreemd gedroeg, had ineens door wat er aan de hand was. Zijn baasje wist helemaal niets over heksen. Hij had het allemaal verzonnen. En nu was deze heks boos geworden op meneer Nicolas. Deze heks was ook helemaal niet lelijk, maar juist erg mooi. De heks ging naast Meneer Nicolas zitten. “Gezellig hè, meneer Nicolas, zo met zijn tweetjes? Maar genoeg gezelligheid, het is tijd voor een serieus gesprekje. Hoe komt u erbij om de mensen wijs te maken dat heksen slecht zijn en lelijk? Dat ik spinnenkoppen eet of, nog erger, kleine verdwaalde kindertjes? Ik sta helemaal niet de hele dag in een grote ketel te roeren en ik heb ook geen grote zwarte kater. Ik ben meer een Perzenmens. Dus als u het niet erg vindt, wil ik dat nooit meer lezen.”

Om meneer Nicolas nog een beetje extra te pesten veranderde Heksje Kierewiet de neus van meneer Nicolas in een dikke worst. Nicolas kon wel huilen van ellende. “Alsjeblieft mevrouw Wietje, ik bedoel het helemaal niet slecht. Ik wilde alleen een leuk sprookje schrijven. Laat mij niet met een worstneus door het leven gaan.” Heksje Kierewiet proestte van het lachen, want ze had in haar hele lange heksenleven nog nooit zo’n bang iemand gezien. “Meneer Nicolas, ik wil uw neus gerust terug veranderen,” zei ze, “maar dan wil ik wel dat u belooft nooit meer dergelijke onzin over heksen zal vertellen. En als ik merk dat u weer met die fantasieverhalen begint, verander ik u in de dikste pad die u ooit gezien hebt.”

Meneer Nicolas stotterde en snotterde dat hij dat beloofde. Heksje Kierewiet stond op, tikte even tegen de worst en daar was de neus van meneer Nicolas al weer terug. Tevreden lachend gooide ze in een goede bui wat toverpoeder over Kobus, ondertussen een krachtige toverspreuk mompelend: “Iesewiesewassewem, vanaf nu ben jij goed bij stem.” Ze opende het kooitje en keek nog een keer quasi boos naar meneer Nicolas, die angstig in elkaar kroop. Bang dat hij was om veranderd te worden in een dikke pad. Want die waarschuwing nam hij heel serieus. Dat was al eens gebeurd met de huidige koning van het land, koning Willem, dus hij wist dat het mogelijk was. Het heksje deed echter niets.

Ze liep naar buiten, stapte op haar bezem en vloog weg. Kobus kroop ondertussen uit zijn kooitje en rekte zich eens even lekker helemaal uit. Hij fladderde naar beneden en ging op de tafel zitten, vlak bij zijn baasje. Meneer Nicolas zat nog steeds te bibberen van angst. “Tja baas, en nu?” vroeg Kobus aan meneer Nicolas. De mond van meneer Nicolas viel open van verbazing. “Kobus…. jij kunt praten?” vroeg hij dan ook verbijsterd. “Hoe kan dat nou?” Meneer Nicolas begreep er allemaal niets meer van. Kobus vertelde hem dat de heks, buiten het zicht van meneer Nicolas, hem een stem gegeven had.

“Ik heb eens nagedacht,” zei Kobus. “Misschien moet je het toch maar gewoon bij je korte verhaaltjes houden. En ja, ik val dan meestal in slaap. Maar dat geeft toch niet? Je weet dan in ieder geval dat je niet in een dikke pad wordt veranderd.” Meneer Nicolas streek eens over zijn kin, dat deed hij altijd als hij diep moest nadenken. Na een paar minuten zei hij: “Kobus, ik denk dat ik jouw idee een goed idee vind. Vanaf nu alleen nog maar korte verhaaltjes.” En zo kwam het dat meneer Nicolas, tot in lengte van dagen, korte verhaaltjes schrijft. En Heksje Kierewiet? Die lag lui achterover in haar huisje in het bos. Ze zag het allemaal tevreden aan door haar glazen bol, ondertussen kluivend aan een vers kinderboutje.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Heksje Kierewiet · Deel 3 en slot
januari 12 2019

Heksje Kierewiet · Deel 2

(Een modern sprookje)

Er waren er altijd wel een paar die niet luisterden naar hun ouders en die op eigen houtje het bos introkken. De ergste gingen van de paden af en verdwaalden. En die waren het lekkerst, wist Wietje uit ervaring. Want de angst maakte hun vlees sappig. Vandaag was zo’n dag dat Wietje honger had als een reus. Ze trok haar heksenlaarzen aan, van die hoge met veters, stapte op haar bezem en ging op kinderjacht. Ze vloog en vloog tot ze in de verte een kindje hoorde huilen. Wietje daalde af, verstopte haar heksenbezem achter een dikke boom en ging op zoek naar het huilende kindje. Als snel zag ze hem zitten. “Mooi,” dacht ze, “het is een lekkere vette.”

Ze ging naar het jongetje toe en zei dat hij niet meer hoefde te huilen. Zij zou hem wel helpen om terug thuis te komen. Het jongetje, dat Tim heette, droogde zijn tranen en keek Wietje dankbaar aan. Hij was wel een beetje bang voor de heks, want Wietje was nou niet direct moeders mooiste. Maar hij was banger om alleen te blijven. Dus pakte hij snel haar uitgestoken hand en dwong zichzelf om niet naar de lange vuile nagels te kijken. “Misschien heeft ze wel in de tuin gewerkt,” dacht hij. “Mama heeft dan ook altijd van die vieze handen.”

Wietje liep met Tim naar de plek waar ze haar bezem had laten staan. Dat vond Tim wel spannend, een echte vliegende bezem. Omdat zowel Heksje Wietje als Tim niet tot de meest lichte behoorden, had het bezempje wat moeite om van de grond te komen. Maar uiteindelijk kwamen ze een paar meter los en gingen ze op weg naar het smerige heksenhuisje van Heksje Wietje. Bij het huisje aangekomen duwde Wietje de kleine Tim snel naar binnen toe en deed de deur op slot. Toen ze Tim een beetje verbaasd zag kijken, zei ze snel dat de deur op slot moest omdat anders de kat weg zou lopen.”

“In werkelijkheid wilde ze natuurlijk voorkomen dat Tim de benen zou nemen. Ze pakte een stoel voor Tim, waar ze een dikke laag stof van af blies, en gaf hem een toverdrankje, zodat hij snel in slaap zou vallen. Tim had een enorme dorst en dronk het wat vreemd smakende drankje gretig op. Al snel voelde hij zijn ogen zwaar worden en viel hij in een diepe slaap. De heks hoorde hem snurken en begon de bouillon, waarin ze Tim zou gaar koken, op smaak te brengen in haar grote zwarte ketel. Ze stookte het vuur hoog op, want Wietje had een schreeuwhonger en die moest snel gestild worden. Ze ging naar Tim en trok hem al zijn kleren uit. Die zouden de smaak toch alleen maar verpesten, wist ze. Vervolgens pakte ze een groot scheermes en scheerde zijn hele kop kaal. Anders had ze straks steeds haartjes in haar mond en dat vond ze smerig. Toen Tim gereed was, pakte ze hem op en propte hem in de ketel met kokende bouillon. “Oh ja, dit gaat heerlijk worden,” lachte ze met de meest gemene lach die ooit in het bos geklonken had.”

Meneer Nicolas stopte even met vertellen, want hij had van al dat praten dorst gekregen. Hij ging naar de keuken en maakte een tweede bakje koffie voor zichzelf en een bakje met water voor Kobus. Die zag hem aankomen en was vol spanning naar het vervolg van het verhaal. Hij was ook best een beetje trots op zijn baasje. Tenslotte kunnen niet veel mensen zeggen dat heksen tot hun persoonlijke kennissenkring behoren. Meneer Nicolas gaf Kobus zijn water en ging weer zitten. Hij nam net een slokje van zijn koffie toen er hard op de deur werd geklopt. Meneer Nicolas stond mopperend op, want hij vond het nooit leuk om midden in een goed verhaal gestoord te worden. Wordt vervolgd…

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Heksje Kierewiet · Deel 2
januari 11 2019

Heksje Kierewiet · Deel 1

(Een modern sprookje)

Meneer Nicolas was schrijver van korte verhaaltjes, die vaak over ‘grote mensendingen’ gingen. Meneer Nicolas las zijn verhaaltjes altijd voor aan zijn grootste fan, zijn kanarie Kobus. Als meneer Nicolas een verhaaltje klaar had dan ging hij voor het kooitje van Kobus zitten en zei hij: “Zo Kobus, ik heb weer een verhaaltje klaar, luister maar eens.” Dan ging Kobus behaaglijk zitten om te luisteren naar weer een verhaal over dingen waar hij helemaal geen kaas van gegeten had. Kobus viel na een paar zinnen dan ook steevast in slaap.

Maar vandaag was het anders. Vandaag was het sprookjestijd. Dan kwam er een verhaaltje over enge heksen of gemene trollen. Meneer Nicolas wist namelijk alles over heksen en trollen. Hij zei vaak dat hij de grootste heksen- en trollenkenner van de hele wereld was. En de wereld is groot, dus moest hij wel heel erg veel van heksen en trollen weten. 

Meneer Nicolas zei vaak tegen Kobus dat hij zelfs regelmatig heksen had ontmoet. En wie kan dat nou zeggen? Dat zijn er niet veel. Kobus had zich eigenlijk al een beetje voorbereid op een fijn middagdutje tijdens een van de saaie verhaaltjes, maar nu stonden zijn oogjes helemaal open en was hij een en al aandacht. Dit was andere koek, dit was spannend. Dat wist Kobus. Meneer Nicolas wist natuurlijk dat Kobus altijd in slaap sukkelde. Hij snurkte hele bossen om. Maar nu zag hij Kobus heen en weer wippen en hoorde hij hem blij fluiten. Dus ging Meneer Nicolas er eens lekker voor zitten, nam nog een slokje koffie en begon te vertellen:

“Er was eens, in een land hier ver, heel ver vandaan, een heksje. Heksje Kierewiet was haar naam. Maar de meeste mensen noemden haar gewoon Wietje.” En omdat meneer Nicolas vond dat hij, als bedenker van het verhaal, alle rechten had, noemde hij haar ook Wietje. “Wietje was een echte heks. Ze had een bezem waarmee ze kon vliegen, natuurlijk had ze een zwarte kat en ze altijd een grote punthoed op haar hoofd. Wietje was ook behoorlijk aan de dikke kant en droeg altijd zwarte kleren. Op haar bovenlip groeide iets dat op een snor begon te lijken en op haar neus zat een vette wrat waar twee dikke zwarte haren uitgroeiden.”

“Wietje was de hele dag bezig met het maken van de meest vreselijk smakende soepjes. Die maakte ze in een grote ketel, waarin ze, als ze niets beters te doen had, altijd aan het roeren was. Wietje woonde in een klein huisje, midden in een eng donker bos. Overal in het huis zaten spinnenwebben, waarin grote vette, zwarte spinnen zaten, die gemeen naar Wietje en haar kat keken. Niet gek, als je weet dat het lievelingsgerecht van Wietje bestond uit schimmelbrood met spinnenkoppen. Maar af en toe had Wietje trek in iets anders. Iets waar meer smaak aan zat en wat haar honger beter zou stillen. En op zulke dagen ging Wietje op pad. Ze trok dan het donkere bos in op zoek naar verdwaalde kindertjes.” Wordt vervolgd…

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Heksje Kierewiet · Deel 1