december 18 2020

Bloed moet

Ik mag me vandaag weer eens melden voor een onvrijwillige bloeddonatie in het plaatselijk gezondheidscentrum. Waarom dat zo heet is mij een raadsel, want je komt daar vooral als je juist niet gezond bent, maar dat ter zake. Mijn arts wil graag dat ik dit eens in de zoveel tijd laat doen ter controle en hij heeft ervoor geleerd dus zal hij ook wel weten wat goed voor mij is. Althans, dat mag ik toch hopen.

Nu weet ik niet of de lezer ooit in een Spaans gezondheidscentrum is geweest en dan speciaal op de afdeling bloedafname, maar geloof me, dat is amateurisme troef. Zeg maar 55 jaar terug in de tijd. Minstens, want langer terug kan ik mij namelijk niet herinneren. Ze gebruiken nog net niet dezelfde naald voor elk slachtoffer. Vanwege de coronaperikelen staan alle slachtoffers buiten het gezondheidscentrum opgesteld in een lange, hele lange rij. Onwillekeurig moet ik aan schapen denken die op hun beurt wachten voor de slachtbank.

Tien minuten later dan gepland komt ‘iets’ naar buiten dat ingepakt is alsof hij of zij (echt, er is geen enkele geslachtsherkenning mogelijk door de vele lagen beschermende kledij) minimaal een asbestcontrole uit gaat voeren. ‘Het’ roept de namen op van de ongelukkigen die als eerste naar binnen mogen. Waarom we hier in een rij staan als men toch iedereen op naam binnenroept, is en blijft voor mij een groot raadsel. Ik hoor iets roepen dat vaag op mijn naam lijkt en stap ook uit de rij. Bij de ingang richt de ingepakte iets op mij dat op een pistool lijkt en automatisch gaan mijn handen omhoog. Het blijkt een thermometer te zijn ter controle van koortsverschijnselen, waarvan ik blij ben dat deze, door de vreemde vorm, niet op een ouderwetse manier wordt ingebracht.

Bij de afdeling bloedafname word ik door een erg kordaat optredende oudere verpleegster, met armen als boomstammen en een snor waar de veldwachter uit Swiebertje jaloers op was en die zelfs langs haar mondmasker zichtbaar is, in een stoel gesmeten. Na een tijdje gewacht te moeten hebben komt er een jonge verpleegster op me af. Waarschijnlijk is het op dit moment mode, want ook deze dame gaat het niet redden met alleen wat hars om haar bovenlip weer kusklaar te krijgen. Je wilt dan toch niet weten hoe deze prikmuts er voor de rest uit ziet. Deze vrouwelijke uitvoering van een grizzlybeer trekt de band om mijn arm dusdanig strak aan waardoor mijn vingers spontaan beginnen te tintelen en ramt de naald in mijn arm. Zonder resultaat, want er loopt geen enkele druppel in het buisje dat ze klaar heeft voor actie. Dus naald eruit en nog een keer proberen, met nog wat meer kracht. De naald buigt nog net niet krom. Helaas, wederom komt er geen bloed. Dan begint ze de naald in mijn arm wat heen en weer te bewegen.

De oude berin heeft al die tijd gekeken naar de amateuristische pogingen van de jonge berin. Als het haar te veel wordt, komt ze aangestormd, haalt de naald eruit en plaatst deze opnieuw in mijn arm en wel met zoveel kracht dat ik verbaast constateer dat de naald niet dwars door mijn arm is geschoten. Er vallen nu wat druppeltjes bloed in het buisje maar om nou te zeggen dat het snel gaat is een overstatement. Na iets van tien minuten en heel veel pogingen later, zegt Bertha tegen mij: “Nou meneer, dat wordt helemaal niets met u. We stoppen er mee!” En terwijl de naald nog in mijn arm hangt, maakt ze de band los.

Meteen begint het bloed in het rond te spuiten als ware mijn arm een zojuist ontkurkte champagnefles. De troela weet niet hoe snel ze het bloed op moet vangen in de buisjes. Als ze een paar seconde later klaar is stopt ze een flinke dot watten op het gaatje en maakt dit vast door drie keer flink met een onverwijderbare tape rond mijn arm te gaan. Ik kijk haar aan en besluit voor één keer in mijn leven mijn mond te houden en slechts voorzichtig, en volledig in mezelf, te glimlachen.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Bloed moet
december 22 2019

De bevalling

De pijn die ik voel is het beste te vergelijken met het plaatsen van je nier tussen een bankschroef, waarna die tot het uiterste wordt aangedraaid. Maar dan een paar keer erger. Nergens in mijn onuitputtelijke fantasie heb ik me ooit voor kunnen stellen dat een dergelijke pijn bestaat. Men zegt dat een goede niersteenaanval het beste te vergelijken is met de barensweeën van een vrouw. Ik kan me daar wel iets bij voorstellen, want de verhouding niersteen-plasbuis, is zo’n beetje gelijk aan kinderkopje-vagina. Ware het niet dat een plasbuis net even minder flexibel is. Maar hoe ik ook pers, die niersteen blijft lekker zitten waar hij zit en verroert zicht niet. Geen wee kan hem op andere gedachten brengen.

Ik lig op zo’n oncomfortabel bedje bij de eerste hulp nadat ik bijna kruipend naar binnen ben gegaan en men begreep dat ik pijn had. Het tweede zakje valium, of iets dat dezelfde zalige uitwerking heeft, is zojuist aangesloten op het kraantje dat de arts in mijn arm heeft gewurmd. Eerst begon hij in mijn rechterarm te wringen, maar toen hij daar, na een paar minuten heen en weer te hebben gewrikt met de naald, geen geschikte ader kon vinden, probeerde hij het met wat meer succes in mijn linkerarm. Het pijnlijk heen en weer bewegen van de vrij dikke naald zag ik heel even als een slecht gelukte afleidingsmanoeuvre om de pijn die van mijn nier richting mijn kruis trok te vergeten. Maar zeg maar eens tegen een vrouw, als de ontsluiting daar is, het kopje zich naar buiten begint te persen en zij langzaam enkele centimeters inscheurt “gewoon niet aan denken, joh”. Dat bedoel ik.

Ik wil net vragen wanneer het verdovend goedje eindelijk een keer zijn werk gaat doen, als ik achter mijn ogen een voorzichtige roes bespeur die mijn hersens begint te vernevelen en een prettige tinteling voortbrengt die begint bij mijn kruin en traag afzakt richting het door pijn getroffen gebied. Het is een soort high worden voor rookies en ik besluit, terwijl ik zo stoned als een garnaal en klaarblijkelijk met een domme grijns van oor tot oor naar mijn vrouw kijk, dat ik dit spul op een handkar te koop ga aanbieden op de Dam in de Nederlandse hoofdstad, als perfect alternatief voor lachgas.

Na enkele minuten, waarvan ik nog steeds denk dat het in werkelijkheid uren zijn geweest, kan ik zelfstandig van het bed stappen en zweef ik naar buiten met een recept voor pijnstillers met dezelfde helende werking stevig in mijn knuistje geklemd. Wat er verder die nacht gebeurd is weet ik niet meer, maar ik kan bijna niet wachten op een volgende aanval.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor De bevalling
maart 6 2019

Mens erger je niet

Ik moet op de eerste verdieping zijn. Als ik de wachtruimte binnenloop is er nog precies één stoeltje vrij, die naast de lift. Als ik ga zitten begrijp ik meteen waarom. Mijn neus zit nu namelijk op konthoogte en al snel blijkt dat menig kont deze ochtend, en sommige zelfs vele ochtenden daarvoor, geen water of op zijn minst fris doekje gezien heeft.

Ik heb mijn afspraak om 10.00 uur en ben een paar minuutjes te vroeg. De vrouw naast mij is aan de beurt, maar voordat ik op kan schuiven naar het plekje dat iets verder verwijdert is van de lucht van ongewassen anussen, gaat een ‘gezette’ man naast mij zitten. Nou ja, gezet is misschien niet helemaal het juiste woord. Zeg maar gerust moddervet. Ik lijk zelfs slank naast hem en dat wil heel wat zeggen. De conditie van de man is blijkbaar in een ronduit beroerde staat, want terwijl hij geen verdere lichaamsbeweging heeft dan het knipperen met zijn ogen, gutst het zweet uit al zijn poriën. En met het zweet komt ook zijn lichaamsgeur vrij, een odeur die het midden houdt tussen bedorven oude kaas en een stal vol varkensstront.

Even twijfel ik of ik de geur snel op zal snuiven, zodat het maar weg is. Maar dan staat mijn nummer op het scherm en vlucht ik naar de bloedcontrole. Na krap twee minuten sta ik weer buiten en “moet ik een paar minuutjes wachten op het gesprekje met de dokter”. Dit gesprek zou ik, zoals afgesproken, hebben om 10:15 uur. Omdat er nergens een stoeltje vrij is en blijven staan nogal raar overkomt, haal ik een paar keer diep adem en ga weer terug naast de stinkerd zitten, vastbesloten om mijn adem in te houden tot ik aan de beurt ben. Helaas, het duurt allemaal toch wat langer dan ik dacht en met een diepe teug vliegt de braaksel opwekkende lucht mijn longen en, nog erger, mijn neus in.

Na een half uur verveel ik me al te pletter en begint het mens-erger-je-nieten. Nou, dat doe ik dus wel. Een klein kutkind rent de hele tijd rondjes terwijl ze onverstaanbare klanken gilt. En dat zonder pauze. Ze gaat maar door en door en door, tot ik het moment op voel komen dat ik of haar, of haar ouders, of van mijn part die hele familie een lege liftkoker in flikker. Maar dat schijnt dus strafbaar te zijn in Spanje. Er gaan nog eens 30 minuten voorbij, zonder dat er enige beweging komt in de mensen die zitten te wachten op dat wat komen gaat.

Als op een gegeven moment mijn afspraak al bijna anderhalf uur geleden is, ik langzaam zin krijg om mijn schoen in zo’n stinkkont te proppen, mijn neus inmiddels blijvende reukschade heeft opgelopen en ik zenuwtrekjes begin te krijgen door de nog steeds rondgillende kleuter, verschijnt als vanuit het niets mijn nummer op het scherm. Ik schiet zo snel ik kan de spreekkamer binnen en ga zitten… om na net iets meer dan 30 seconden weer buiten te staan. Wat een anti-climax. Op zijn minst had ik een heel verhaal over rode, witte of weet ik veel wat voor bloedlichaampjes verwacht, maar al wat ik krijg is een printje met daarop mijn medicijnvoorschriften.

Voor ik de spreekkamer verlaat vraag ik mij in een flits af of ik de arts, die de hele ochtend uit haar omvangrijke reukorgaan heeft lopen vreten, niet alsnog binnenste buiten zal keren en wel op een dusdanige manier, dat ze in het vervolg door haar muts naar buiten kan kijken. Of is dat ook al strafbaar?

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Mens erger je niet
september 24 2018

Maagpatiëntje

Ik lig op mijn zij op het veel te kleine bedje. Tenminste, vanuit mijn Hollandse reuzenogen gezien dan, want voor de gemiddelde Spanjaard met lilliputterpostuur is het bed redelijk ruim te noemen.

De vrouwelijke dokter legt mij in veel te rap Spaans met een verschrikkelijk accent uit wat ik mag verwachten. Ik heb na een halve minuut reeds opgegeven haar proberen te verstaan, laat staan begrijpen en besluit alles maar gewoon te laten gebeuren. Aan het eind begrijp ik dat zij mij vraagt of ik het begrepen heb en knik ik dapper ‘Ja’, om maar te zorgen dat zij zo snel mogelijk begint en ik dus ook weer zo snel mogelijk buiten sta. Vanuit het niets pakt ze nu een spray en spuit het smerig smakende goedje mijn keel in. “Dit kan vies smaken hoor”, zegt ze na het spuiten. “Zeg troela”, denk ik, “zeg dat in het vervolg even voor je die bus leegspuit in mijn keelgat.” Nog geen 5 seconden later merk ik dat mijn keel gevoelloos geworden is.

Ik krijg een bekklem in mijn mond maar daarin een groot gat. Deze wordt met een elastische band veel te strak om mijn hoofd gebonden, zodat ik daar lig als Hannibal Lecter in zijn beste dagen en praten onmogelijk wordt. Op de ‘O’ klank na dan. Vervolgens voel ik twee handen van een verpleegster op mijn rug, die mij zachtjes fluisterend toespreekt en op mijn gemak probeert te stellen, onderwijl mijn rug strelend. Ik was reeds op mijn gemak, heel erg op mijn gemak zelfs, maar door al dat zenuwachtige gefluister en de klem in mijn mond krijg ik het ineens Spaans benauwd, wat op zich weer logisch is als je in een Spaans ziekenhuis ligt.

De dokter schuift nu, voor ik een protest kan murmelen, een lange zwarte slang in mijn keel en vraagt mij te slikken. Braaf doe ik wat zij vraagt en blijf, na de eerste slik, voortdurend door slikken, wat dus ook weer niet helemaal de bedoeling is. Maar probeer maar eens niet te slikken als er iets in je keel zit. Gedurende iets dat voelt als een uur, maar in werkelijkheid slechts 5 minuten bedraagt, lig ik met chronische braakneigingen te wachten op het verlossende moment dat de slang weer via mijn keel naar buiten wordt getrokken. Dat moment komt zodra de ‘streelverpleegster’ de bekklem losmaakt en de slang nog geen twee tellen later letterlijk door mij wordt uitgekotst. Maar dat schijnt, volgens de dokter, een normale reactie te zijn op het minuten lang strelen van mijn huig.

Als ze klaar is mag ik opstaan en vertrekken. Ik blijf echter nog even op het randje van het bed zitten om een beetje tot mijzelf te kunnen komen. De vriendelijke verpleegster geeft mij een doekje zodat ik de laatste restje van mijn maaginhoud uit mijn mondhoeken kan wegvegen. “Dapper hoor van u dat u de gastroscopie uit heeft laten voeren zonder narcose”, zegt ze daarbij terloops. “Dat doet eigenlijk niemand meer.”

Ik kijk haar even aan en hoor mijn arts het nog heel duidelijk zeggen: “Onder narcose? Welnee, dat doet eigenlijk niemand meer.” Ik besluit op dat moment dat ik mijn arts levend ga villen. Met een bot mes. En daarna ga vierendelen. Dat doet ook eigenlijk niemand meer.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Maagpatiëntje