december 16 2020

Kerstverhaal

Lang, heel lang geleden, in een land hier een tering eind vandaan, lagen eens een stuk of wat herdertjes bij nachten. Het was de bedoeling dat ze gingen slapen, maar één herdertje had andere plannetjes dan zijn doppen dicht te doen. Die had eerder die dag een lekker ding zien huppelen, die we voor de herkenbaarheid ‘Maria’ zullen noemen, en dacht “אז, דבר נחמד זה” (ja sorry, die gasten spraken Herbreeuws).

Midden in de nacht, als de andere herdertjes op één of, heel knap, beide oren liggen, sloop het herdertje naar de hut waar Maria lag te slapen. Hij besteeg haar en natuurlijk schrok Maria wakker en zich minimaal een hoedje. Maar voordat ze kon schreeuwen zei de herder heel geslepen dat hij een engel was, gestuurd door God. Wie God is wist Maria niet, want de Bijbel was op dat moment nog niet uitgevonden en van 10 of meer geboden had nog geen hond gehoord. Maar het klonk allemaal erg indrukwekkend en die herder deed daarbij flink zijn best, dus liet ze het er maar bij.

Zodra de herder aan zijn gerief was gekomen en Maria haar bevrediging ook gevonden had, vroeg ze aan de herder, wiens gezicht ze in het donker niet kon zien, of alle engelen naar schapenstront stinken. De herder wist niet wat hij hierop moest antwoorden en nam snel de benen. Omdat zijn kokhalzende lucht bleef hangen, dacht Maria dat hij er nog was. Toen ze eindelijk een kaars had gevonden om licht te maken, en ‘de engel’ plotsklaps verdwenen bleek te zijn, wist ze dat het waarlijk een engel geweest moest zijn met een ‘Goddelijke boodschap’. Het herdertje was gelukkig zo klein geschapen dat haar maagdenvlies nog bijna geheel intact was, en daar was ze best blij om, want kom op, niemand heeft zin om gestenigd te worden wegens overspel. Ook al was het met een naar kak ruikende engel.

En ja, dat zal je altijd zien, ging het wicht een keer vreemd, was ze nog bevrucht ook. Haar man Jozef, die niet al te snugger was, zag op enig moment dan toch dat ze een behoorlijk dikke pens begon te krijgen, maar de gehaaide Maria mompelde iets over een engel en een vuil toilet. De normaal goed gelovige Jozef slikte de onzin echter niet zomaar voor zoete koek. Zo onnozel was hij nou ook weer niet. Ze kregen een hoogoplopende ruzie en Jozef vroeg wie de vader was. “God, snap je dat nou echt niet?” vroeg Maria aan hem en een misverstand was geboren. De huisbaas was ondertussen op het lawaai van hun ruzie afgekomen en schopte hen op straat. Van ellende namen ze hun intrek in een stal waar het de hele dag stonk naar schapenstront. Een lucht die bij Maria, tot de laatste dag van haar heilige leven, bepaalde gevoelens op zou blijven roepen.

Toen kwam de dag het kereltje werd geboren. Jozef en Maria hadden alleen nog geen naam voor het joch, omdat Maria Jozef had overtuigd dat het een meisje zou worden. Maria bleef maar aan het hoofd van Jozef jengelen dat hij, als vader, toch echt een naam voor de kleine moest verzinnen. “Jezus Christus”, zei Jozef. “Kan je dan echt helemaal niets zelf?” En hoppa, daar was misverstand nummer twee en de rest is geschiedenis. Oh nee, er kwamen nog drie kerels uit de Achterhoek op koeien met een bochel. Die hadden ineens het licht gezien of zoiets. Er kwamen ook wat herders op het gejengel van de baby af om te zeggen dat ze liever gisteren dan vandaag die stal uit moesten, want de schapen hadden het koud. En voor de rest gebeurde er eigenlijk niet zo veel, tot de een of andere Romein het bijzonder grappig vond om een sprookje te gaan schrijven dat hij de Bijbel zou noemen. En op dat moment begint de ellende pas goed.

Tot slot wil ik benadrukken dat elke gelijkenis met bestaande of niet bestaande personen berusten op puur toeval. Mocht ik met mijn kerstverhaal iemand beledigd hebben, weet dan dat in de Bijbel staat dat je moet kunnen vergeten en vergeven en mocht dat er niet in staan, doe je dat toch maar, want het is tenslotte bijna kerstmis.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Kerstverhaal
januari 20 2019

In den beginne

Vaak hoor je mensen praten over een vorig leven. De een was prins, de andere bedelaar. En dat alles zouden zij weten door bijvoorbeeld verhelderende dromen of komt eruit onder hypnose. Ik heb ook van die dromen en in al die dromen ben ik steevast schepper van beroep. En steeds begint die droom bij de eerste dag op mijn werk.

Die eerste dag, dat was eigenlijk meteen ook de mooiste. Toen ik de hemel schiep en een grote bol van water. En om dag en nacht wat eenvoudiger uit elkaar te kunnen houden, maakte ik ook maar meteen licht voor de dag en duisternis voor de nacht. Het werd avond en het werd ochtend, en voor ik het wist was dag één alweer voorbij. Ja, de tijd gaat snel als je het naar je zin hebt. Ik nam een zojuist geschapen afzakkertje en kroop weer fijn mijn bed in.

De tweede dag kwam ik erachter dat ik vergeten was onder en boven te scheiden, wat een behoorlijke bende veroorzaakte. Dus schiep ik een koepel. Toen de koepel klaar was, zat ik wel een beetje met de naam. Na lang wikken en wegen besloot ik om de koepel ‘Hemel’ te noemen. Dat had wel wat. Het werd avond en weer ochtend, dus ook dag twee was voorbij voor ik er erg in had.

De derde dag had ik een behoorlijke jeuk tussen mijn tenen en bij onderzoek bleek dat ik voetschimmel had. Dat van die waterbol was dus achteraf niet zo’n briljant idee, dus schiep ik het land, zodat ik droog kon staan. Dat was echt niet zo eenvoudig als dat het lijkt, omdat het water op de een of andere manier moest samenvloeien waardoor er droge stukken ontstonden. Die droge stukken noemde ik ‘Land’ en het water noemde ik ‘Zee’. Het was een beetje kale boel op die droge stukken, dus besloot ik de boel wat op te vrolijken met hier en daar wat planten en bomen. Ik ging eens lekker zitten om alles goed te bekijken. Mijn fantasie was voor de die dag even op. Morgen was er weer een dag. Dus werd het avond en weer ochtend. Dag drie was voorbij.

De vierde dag werd ik rillend van de kou wakker en schiep ik eerst snel de zon. Die reserveerde ik voor de dag om de boel een beetje te verlichten en warmte te creëren. Om ook ’s nachts iets te hebben plaatste ik de maan aan de donkere hemel en wat sterren voor het feestelijk effect. Als markering voor feestdagen, dagen, maanden, seizoenen en jaren schiep ik ook meteen maar een kalender. Het werd avond en het werd ochtend. Dag vier was voorbij.

De vijfde dag schiep ik even snel wat waterdieren en vogels. Ik was dat hele scheppingsgedoe eigenlijk wel een beetje beu, dus pakte ik mijn hengel en ging de rest van de dag vissen. Het werd avond en het werd ochtend. Dag vijf was voorbij voor ik er erg in had.

De zesde dag schiep ik landdieren en een beetje voor de grap een diersoort die ik ‘Mens’ noemde. Ik besloot om deze mens naar een evenbeeld van mezelf te maken en dat zij in het vervolg de boel maar een beetje draaiende moesten houden. Na het scheppen bekeek ik alles nog eens goed en vond ik dat de mens iets te groot was uitgevallen. Dus schiep ik er nog snel wat lilliputters en pygmeeën bij om het gemiddelde omlaag te brengen. Het werd avond en het werd ochtend. Dag zes was werkelijk voorbij gevlogen.

De zevende dag besloot ik lekker uit te slapen en de boel de boel te laten. Dat gaf ook niets, want ik was toch klaar met scheppen. Ik keek nog eens neer op wat ik nou in die week gemaakt had en schoot in de lach. “Wat een zooitje,” dacht ik en ik schiep nog snel hier en daar een lekkere oorlog, hongersnood, overvloed en vraatzucht om kleine foutjes uit te wissen.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor In den beginne