Loopneuzenmarathon (vertaling)

Loopneuzenmarathon (vertaling)

De directrice is een vrouw van een jaar of 50 in een broekpak waaruit haar lichaam uit alle macht probeert te ontsnappen. Ze heeft haar lippen vuurrood gepleisterd en draagt zo’n grote gitzwarte bril als teken dat je van de kunsten bent. Of intelligent. Kunstmatig intelligent welteverstaan. Onwennig sjokt ze op haar zondagse hakken naar de microfoon, haar overvol met vocht zittende enkels om de stap verzwikkend. “We krijgen nu een snotterliedje en let u speciaal op het gitaarspel. Want, dames en heren… u zult het zien, hoe oud je ook bent, je kunt bij ons op elke leeftijd starten met muzieklessen…”

Jeugdig senior in snotterliedjes. En nu, nog voor de eerste noot, weggezet als demente oude zak die als slotakkoord van zijn te laat gestarte muzikale carrière nog even een riedeltje weg gaat geven ten faveure van het ledenbestand van een muziekschooltje in een weggemoffeld Bergs straatje. Zie je die treurige wat onnozele glimlach die ik als laatste verdedigingslinie tegen de totale afgang op mijn gelaat tover? Ja…, achteraf heb ik makkelijk praten.

De koningsdochter

“Nee, jij trekt volle zalen”, dat had ik moeten zeggen tegen die Obesitastrut. Of veel vileiner; “Je kunt op mijn leeftijd dus ook altijd nog directrice van een muziekschool worden…” Of heel gemeen; “Goh, werk jij hier? En je kon zo goed leren?” Maar niks, geen tekst. Daar zit ik als veredelde tranentrekker, doe het zelf muzikant, adept van Hazes 1 en 2, Manke Nelis en Koos Alberts. “Dank voor uw complimenteuze introductie…” Verder komt de verbaal begaafde cynicus in mij niet. Mijn normaal ‘oh zo grote waffel’ zit nu vol met tanden. Wel allemaal van mijzelf.

Zie je mij zitten? Op het podium van de Maagd, voor een zaal van dik 200 man in het helle licht van een volgspot, gitaar op schoot. Klaar voor mijn allereerste optreden voor publiek. Voor mijn allereerste optreden ooit overigens. Hard geoefend op 32 martelende grepen voor het couplet en nog eens 16 extra voor het refrein. In de late avonduren nog vier keer doorgespeeld. Nu mag ik en ik ben er klaar voor. En ik heb al zolang moeten wachten. Vooraan in het programma zit een dweilbandje van vier hevig transpirerende dames in de overgang, traditioneel met gordijnen omkleed. Dan een groep blokfluitende brugpiepers en twee hele kleine violistjes die hun strijkstok als een ijzerzaag hanteren, maar met trots glimmende moeders op de eerste rij. En daarna nog een dromerig meisje dat alle Vastenavendliedjes vanaf 1946 tot heden op de piano pingelt en van geen ophouden weet. Maar nu mag ik…

‘Leef’ ga ik spelen en mijn ingestudeerde babbeltje dat Dreetje Hazes helaas niet kan komen maar dat hij mij heeft gevraagd om in te vallen, stuitert onverrichter zake naar mij terug. Okay, spelen dan maar. Vier maten vooraf en waar ik de weg even kwijt ben, doe ik ‘net alsof’ akkoorden. Ik speel deze avond veel, heel veel ‘net alsof’ akkoorden. Achteraf rolt het applaus over mij heen. Na een klein onthecht knikje naar het publiek verdwijn ik met een soepele sprong achter de coulissen.

Dan schrik ik wakker, omdat mijn vrouw midden in de nacht wil weten waarom ik in hemelsnaam loop te brullen dat ik wil leven alsof het mijn laatste dag is, wat ik, met een pijnlijke uitdrukking op mijn gezicht, in mijn slaap steeds roep. Dat heb ik wel vaker, dat ik heel raar ga dromen als ik ziek ben. Ik blijf zo plat mogelijk liggen omdat ik al enige tijd een chronische loopneus heb en de zwaartekracht niet uit wil dagen. Het is geen kwestie van een beetje flink ophalen op zijn tijd, maar echt een hardlopende neus. Als er een marathon voor neuzen zou bestaan zou mijn neus met glans winnen. Mijn neus loopt zelfs zo hard dat van enig achternadweilen niet eens sprake kan zijn. Mijn vrouw brengt een mix van cognac, een geklopt ei en bruine suiker, omdat dit volgens de overlevering wonderen zou doen. Ik probeer voorzichtig rechtop te gaan zitten, maar heb meteen aan een zakdoek niet meer genoeg. Gelukkig biedt het tweepersoonslaken voldoende uitkomst. Ik val daarna weer in slaap maar word beroerd en lamlendig wakker met een enorme kater en nog steeds een loopneus.

Ik lig op bed en luister naar een passerend dweilbandje dat heel toepasselijk de eerste tonen inzet van ‘Dweil d’oew neus mar achternaar!’ Langzaam voel ik hoe de muziek in mijn aderen trekt en mijn bloed sneller doet stromen. Als de laatste tonen wegsterven voel ik me vrolijk en is mijn neus eindelijk gestopt met lopen. Nu is hij verstopt.

Jan Nicolas

(Column geschreven in opdracht van de stichting Vastenavend van ‘t Krabbegat – Bergen op Zoom, voor de Vastenavendkrant van 2020)

error: Copyright Jan Nicolas. Alle rechten voorbehouden.