Heksje Kierewiet · Deel 1

Heksje Kierewiet · Deel 1

(Een modern sprookje)

Meneer Nicolas was schrijver van korte verhaaltjes, die vaak over ‘grote mensendingen’ gingen. Meneer Nicolas las zijn verhaaltjes altijd voor aan zijn grootste fan, zijn kanarie Kobus. Als meneer Nicolas een verhaaltje klaar had dan ging hij voor het kooitje van Kobus zitten en zei hij: “Zo Kobus, ik heb weer een verhaaltje klaar, luister maar eens.” Dan ging Kobus behaaglijk zitten om te luisteren naar weer een verhaal over dingen waar hij helemaal geen kaas van gegeten had. Kobus viel na een paar zinnen dan ook steevast in slaap.

RentalPoint

Maar vandaag was het anders. Vandaag was het sprookjestijd. Dan kwam er een verhaaltje over enge heksen of gemene trollen. Meneer Nicolas wist namelijk alles over heksen en trollen. Hij zei vaak dat hij de grootste heksen- en trollenkenner van de hele wereld was. En de wereld is groot, dus moest hij wel heel erg veel van heksen en trollen weten. 

Meneer Nicolas zei vaak tegen Kobus dat hij zelfs regelmatig heksen had ontmoet. En wie kan dat nou zeggen? Dat zijn er niet veel. Kobus had zich eigenlijk al een beetje voorbereid op een fijn middagdutje tijdens een van de saaie verhaaltjes, maar nu stonden zijn oogjes helemaal open en was hij een en al aandacht. Dit was andere koek, dit was spannend. Dat wist Kobus. Meneer Nicolas wist natuurlijk dat Kobus altijd in slaap sukkelde. Hij snurkte hele bossen om. Maar nu zag hij Kobus heen en weer wippen en hoorde hij hem blij fluiten. Dus ging Meneer Nicolas er eens lekker voor zitten, nam nog een slokje koffie en begon te vertellen:

“Er was eens, in een land hier ver, heel ver vandaan, een heksje. Heksje Kierewiet was haar naam. Maar de meeste mensen noemden haar gewoon Wietje.” En omdat meneer Nicolas vond dat hij, als bedenker van het verhaal, alle rechten had, noemde hij haar ook Wietje. “Wietje was een echte heks. Ze had een bezem waarmee ze kon vliegen, natuurlijk had ze een zwarte kat en ze altijd een grote punthoed op haar hoofd. Wietje was ook behoorlijk aan de dikke kant en droeg altijd zwarte kleren. Op haar bovenlip groeide iets dat op een snor begon te lijken en op haar neus zat een vette wrat waar twee dikke zwarte haren uitgroeiden.”

“Wietje was de hele dag bezig met het maken van de meest vreselijk smakende soepjes. Die maakte ze in een grote ketel, waarin ze, als ze niets beters te doen had, altijd aan het roeren was. Wietje woonde in een klein huisje, midden in een eng donker bos. Overal in het huis zaten spinnenwebben, waarin grote vette, zwarte spinnen zaten, die gemeen naar Wietje en haar kat keken. Niet gek, als je weet dat het lievelingsgerecht van Wietje bestond uit schimmelbrood met spinnenkoppen. Maar af en toe had Wietje trek in iets anders. Iets waar meer smaak aan zat en wat haar honger beter zou stillen. En op zulke dagen ging Wietje op pad. Ze trok dan het donkere bos in op zoek naar verdwaalde kindertjes.” Wordt vervolgd…

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

error: Copyright Jan Nicolas. Alle rechten voorbehouden.