december 28 2020

Wijn is fijn

Ik word wakker, doe mijn ogen één voor één open en denk: “Holy smoke, wat heb ik gisteren allemaal gezopen?” Vervolgens ervaar ik een smaak in mijn mond die gelijk staat aan de smaak die ik zou hebben als mijn kat in mijn mond zou hebben gezeken. Mijn oogbollen beginnen spontaan te jeuken en mijn hart zit voor even op de plek van mijn hersenen, althans, ervan uitgaande dat het gebonk in mijn hoofd mijn hart is dat ook van zich wil laten horen.

Na een paar seconden krijg ik een extreme niet te verhelpen dorst en is het simpel slikken een marteling geworden omdat het lijkt alsof er zand in mijn keel zit. Ik besluit op te staan waarna de slaapkamer als een malle begint te draaien en de misselijkheid in al zijn trieste hevigheid op komt zetten. Ik prijs God op mijn blote knieën dat de badkamer aan mijn slaapkamer grenst, zodat ik nog net op tijd bij de wc-pot aankom om het heerlijke etentje van de vorige avond met een grote boog de pot in te kotsen, waarbij vooral de kleur rood de boventoon voert. De smaak in mijn mond die daarna achterblijft is een vreemde mix tussen gal en rode wijn en komt bij elke oprisping als vanzelf weer terug, opgefleurd met de smaak, én geur, van bedorven knoflook.

Ik kijk naar opzij en zie een lijk dat met bloeddoorlopen ogen terug staart. Na enkele seconden besef ik dat het mijn spiegelbeeld is en besluit ik dat het wellicht slimmer is om vandaag maar niet in de openbaarheid te verschijnen. Ik strompel als een halve dode terug naar mijn bed, laat me erop vallen en merk dat het bed meteen als een gek rondjes gaat draaien, waarna ik binnen no time weer over de wc-pot gebogen sta om ook het toetje aan het riool te offeren. Als ik daarna nog slechts geluiden maak als een kikker in de paartijd, en er niets meer uit mijn maag komt dat de naam ‘kots’ waardig is, weet ik dat het tijd is om de wc-pot alleen te laten. Ik loop terug en zie in mijn bed twee voeten onder het dekbed uit komen. Ik kijk naar beneden en zie tot mijn opluchting dat het niet mijn eigen voeten zijn die in een plotselinge lepra aanval alleen in bed zijn achtergebleven. Ik til het dekbed op en zie daar een vrouw liggen die verdacht veel op mijn vrouw lijkt, maar er nu nog erger uitziet dan ik zelf. Althans, als ik het beeld dat door mijn wazige blik naar mijn hersenen gestuurd wordt kan vertrouwen. Ik besluit haar maar te laten liggen en strompel voetje voor voetje naar de woonkamer, waar vooral de hoeveelheid lege wijnflessen in het oog springen. Ik ga voorzichtig in de bank zitten, maar durf mijn ogen niet te sluiten, omdat bij elke knippering de bank een voorzichtige poging doet om een vrolijke draai in te zetten. Ik besluit om als ontbijt een handvol pijnstillers tot mij te nemen en spoel ze weg met een liter water.

Ik merk nu pas dat ik volledig naakt door mijn appartement loop en sleep mezelf naar mijn patio om een beetje frisse lucht wonderen te laten doen. De frisheid van de winterochtend brengt me gelukkig een beetje bij mijn positieven, maar ook het vriendelijke “buenos días” van de bovenbuurvrouw zorgt dat ik meteen klaarwakker ben.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Wijn is fijn
december 21 2020

Koffiegeleuter

Ik zit op mijn favoriete terras in mijn dorpje en drink mijn koffie zoals ik hem graag heb: sterk, met veel melk en warm, zeg maar gerust heet. Ik neem mijn eerste voorzichtige slok, zorgend dat ik mijn lippen niet brand aan het schuim dat veroorzaakt is door het opstomen van de melk.

Nadat ik het schuim met een vakkundig slurpje van de koffie gescheiden heb, glijdt de hete koffie als gloeiende lava mijn keel in. Door de jaren heen heb ik een loden pijp in mijn keel gekweekt, zodat ik dit inmiddels goed kan handelen. Op het schoteltje ligt de traktatie van het huis: Een klein stroopwafeltje, waar de stroop, door de hitte van de kop, een beetje uitgelopen is. Het blijkt elke keer weer een gouden combinatie.

Aan het tafeltje naast mij gaat een dame zitten. Ik schat haar net in de veertig, maar tegenwoordig weet je het nooit. Wellicht heeft ze onlangs een kruiwagen met geld gedoneerd aan haar plastisch chirurg om haar vel richting haar muts strak te trekken. De enige manier om daarachter te komen is op zoek te gaan naar overdadig veloverschot op plaatsen waar ze mijn handen nooit vrijwillig laat komen. Dus geef ik haar maar het voordeel van de twijfel, hoewel haar bijna perfecte borsten eigenlijk het tegendeel bewijzen. Ze heeft een fraai figuur, zelfs als ze veel jonger dan door mij geschat zou zijn.

Haar fraai gevormde, bronsgebruinde benen komen onder een vrolijk jurkje vandaan en heeft ze op een dusdanig geraffineerde manier over elkaar geslagen dat elke man wel moet kijken, en dat weet ze. Aan haar voeten draagt ze met gouddraad afgezette teenslippers, waardoor haar roodgelakte teennagels zichtbaar zijn. Hoe langer ik naar haar kijk hoe meer ze mij bekend voorkomt. Maar dat is wel vaker als je in een dorpje woont en al helemaal als iedereen een mondkapje opheeft. Ze bestelt met een sensueel hese stem ook een koffie en zegt verder niets, tot de koffie door de vriendelijke serveerster op haar tafeltje gezet is. Ze gooit het suikerzakje leeg in haar kommetje en begint te roeren, op een manier die mij onwillekeurig aan seks doet denken.

Dan doet ze haar mondkapje af, kijkt mij voor het eerst rechtstreeks aan, waarbij haar oogleden een beetje zwoel gesloten zijn en zegt: “Hé, jij bent toch Jan Nicolas?” Trots, omdat ik herkend word, bevestig ik dit door heftig te knikken, ook al omdat ik mijn stem niet helemaal vertrouw. “En?” vraagt ze verder. “Heb je inmiddels al werk gevonden, of ben je nog steeds schrijver?”

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Koffiegeleuter
december 18 2020

Bloed moet

Ik mag me vandaag weer eens melden voor een onvrijwillige bloeddonatie in het plaatselijk gezondheidscentrum. Waarom dat zo heet is mij een raadsel, want je komt daar vooral als je juist niet gezond bent, maar dat ter zake. Mijn arts wil graag dat ik dit eens in de zoveel tijd laat doen ter controle en hij heeft ervoor geleerd dus zal hij ook wel weten wat goed voor mij is. Althans, dat mag ik toch hopen.

Nu weet ik niet of de lezer ooit in een Spaans gezondheidscentrum is geweest en dan speciaal op de afdeling bloedafname, maar geloof me, dat is amateurisme troef. Zeg maar 55 jaar terug in de tijd. Minstens, want langer terug kan ik mij namelijk niet herinneren. Ze gebruiken nog net niet dezelfde naald voor elk slachtoffer. Vanwege de coronaperikelen staan alle slachtoffers buiten het gezondheidscentrum opgesteld in een lange, hele lange rij. Onwillekeurig moet ik aan schapen denken die op hun beurt wachten voor de slachtbank.

Tien minuten later dan gepland komt ‘iets’ naar buiten dat ingepakt is alsof hij of zij (echt, er is geen enkele geslachtsherkenning mogelijk door de vele lagen beschermende kledij) minimaal een asbestcontrole uit gaat voeren. ‘Het’ roept de namen op van de ongelukkigen die als eerste naar binnen mogen. Waarom we hier in een rij staan als men toch iedereen op naam binnenroept, is en blijft voor mij een groot raadsel. Ik hoor iets roepen dat vaag op mijn naam lijkt en stap ook uit de rij. Bij de ingang richt de ingepakte iets op mij dat op een pistool lijkt en automatisch gaan mijn handen omhoog. Het blijkt een thermometer te zijn ter controle van koortsverschijnselen, waarvan ik blij ben dat deze, door de vreemde vorm, niet op een ouderwetse manier wordt ingebracht.

Bij de afdeling bloedafname word ik door een erg kordaat optredende oudere verpleegster, met armen als boomstammen en een snor waar de veldwachter uit Swiebertje jaloers op was en die zelfs langs haar mondmasker zichtbaar is, in een stoel gesmeten. Na een tijdje gewacht te moeten hebben komt er een jonge verpleegster op me af. Waarschijnlijk is het op dit moment mode, want ook deze dame gaat het niet redden met alleen wat hars om haar bovenlip weer kusklaar te krijgen. Je wilt dan toch niet weten hoe deze prikmuts er voor de rest uit ziet. Deze vrouwelijke uitvoering van een grizzlybeer trekt de band om mijn arm dusdanig strak aan waardoor mijn vingers spontaan beginnen te tintelen en ramt de naald in mijn arm. Zonder resultaat, want er loopt geen enkele druppel in het buisje dat ze klaar heeft voor actie. Dus naald eruit en nog een keer proberen, met nog wat meer kracht. De naald buigt nog net niet krom. Helaas, wederom komt er geen bloed. Dan begint ze de naald in mijn arm wat heen en weer te bewegen.

De oude berin heeft al die tijd gekeken naar de amateuristische pogingen van de jonge berin. Als het haar te veel wordt, komt ze aangestormd, haalt de naald eruit en plaatst deze opnieuw in mijn arm en wel met zoveel kracht dat ik verbaast constateer dat de naald niet dwars door mijn arm is geschoten. Er vallen nu wat druppeltjes bloed in het buisje maar om nou te zeggen dat het snel gaat is een overstatement. Na iets van tien minuten en heel veel pogingen later, zegt Bertha tegen mij: “Nou meneer, dat wordt helemaal niets met u. We stoppen er mee!” En terwijl de naald nog in mijn arm hangt, maakt ze de band los.

Meteen begint het bloed in het rond te spuiten als ware mijn arm een zojuist ontkurkte champagnefles. De troela weet niet hoe snel ze het bloed op moet vangen in de buisjes. Als ze een paar seconde later klaar is stopt ze een flinke dot watten op het gaatje en maakt dit vast door drie keer flink met een onverwijderbare tape rond mijn arm te gaan. Ik kijk haar aan en besluit voor één keer in mijn leven mijn mond te houden en slechts voorzichtig, en volledig in mezelf, te glimlachen.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Bloed moet
december 16 2020

Kerstverhaal

Lang, heel lang geleden, in een land hier een tering eind vandaan, lagen eens een stuk of wat herdertjes bij nachten. Het was de bedoeling dat ze gingen slapen, maar één herdertje had andere plannetjes dan zijn doppen dicht te doen. Die had eerder die dag een lekker ding zien huppelen, die we voor de herkenbaarheid ‘Maria’ zullen noemen, en dacht “אז, דבר נחמד זה” (ja sorry, die gasten spraken Herbreeuws).

Midden in de nacht, als de andere herdertjes op één of, heel knap, beide oren liggen, sloop het herdertje naar de hut waar Maria lag te slapen. Hij besteeg haar en natuurlijk schrok Maria wakker en zich minimaal een hoedje. Maar voordat ze kon schreeuwen zei de herder heel geslepen dat hij een engel was, gestuurd door God. Wie God is wist Maria niet, want de Bijbel was op dat moment nog niet uitgevonden en van 10 of meer geboden had nog geen hond gehoord. Maar het klonk allemaal erg indrukwekkend en die herder deed daarbij flink zijn best, dus liet ze het er maar bij.

Zodra de herder aan zijn gerief was gekomen en Maria haar bevrediging ook gevonden had, vroeg ze aan de herder, wiens gezicht ze in het donker niet kon zien, of alle engelen naar schapenstront stinken. De herder wist niet wat hij hierop moest antwoorden en nam snel de benen. Omdat zijn kokhalzende lucht bleef hangen, dacht Maria dat hij er nog was. Toen ze eindelijk een kaars had gevonden om licht te maken, en ‘de engel’ plotsklaps verdwenen bleek te zijn, wist ze dat het waarlijk een engel geweest moest zijn met een ‘Goddelijke boodschap’. Het herdertje was gelukkig zo klein geschapen dat haar maagdenvlies nog bijna geheel intact was, en daar was ze best blij om, want kom op, niemand heeft zin om gestenigd te worden wegens overspel. Ook al was het met een naar kak ruikende engel.

En ja, dat zal je altijd zien, ging het wicht een keer vreemd, was ze nog bevrucht ook. Haar man Jozef, die niet al te snugger was, zag op enig moment dan toch dat ze een behoorlijk dikke pens begon te krijgen, maar de gehaaide Maria mompelde iets over een engel en een vuil toilet. De normaal goed gelovige Jozef slikte de onzin echter niet zomaar voor zoete koek. Zo onnozel was hij nou ook weer niet. Ze kregen een hoogoplopende ruzie en Jozef vroeg wie de vader was. “God, snap je dat nou echt niet?” vroeg Maria aan hem en een misverstand was geboren. De huisbaas was ondertussen op het lawaai van hun ruzie afgekomen en schopte hen op straat. Van ellende namen ze hun intrek in een stal waar het de hele dag stonk naar schapenstront. Een lucht die bij Maria, tot de laatste dag van haar heilige leven, bepaalde gevoelens op zou blijven roepen.

Toen kwam de dag het kereltje werd geboren. Jozef en Maria hadden alleen nog geen naam voor het joch, omdat Maria Jozef had overtuigd dat het een meisje zou worden. Maria bleef maar aan het hoofd van Jozef jengelen dat hij, als vader, toch echt een naam voor de kleine moest verzinnen. “Jezus Christus”, zei Jozef. “Kan je dan echt helemaal niets zelf?” En hoppa, daar was misverstand nummer twee en de rest is geschiedenis. Oh nee, er kwamen nog drie kerels uit de Achterhoek op koeien met een bochel. Die hadden ineens het licht gezien of zoiets. Er kwamen ook wat herders op het gejengel van de baby af om te zeggen dat ze liever gisteren dan vandaag die stal uit moesten, want de schapen hadden het koud. En voor de rest gebeurde er eigenlijk niet zo veel, tot de een of andere Romein het bijzonder grappig vond om een sprookje te gaan schrijven dat hij de Bijbel zou noemen. En op dat moment begint de ellende pas goed.

Tot slot wil ik benadrukken dat elke gelijkenis met bestaande of niet bestaande personen berusten op puur toeval. Mocht ik met mijn kerstverhaal iemand beledigd hebben, weet dan dat in de Bijbel staat dat je moet kunnen vergeten en vergeven en mocht dat er niet in staan, doe je dat toch maar, want het is tenslotte bijna kerstmis.

Jan Nicolas

Category: Columns | Reacties uitgeschakeld voor Kerstverhaal