Vastenavendcolumn

Vastenavendcolumn

Ik zit met een bakje cupjeskoffie en een koekje achter mijn pc. Opeens een berichtje van de Stichting Vastenavend uit Bergen op Zoom, in Vastenavendtijden beter bekend als ’t Krabbegat. “Beste Jan, zou je het leuk vinden om dit jaar een column te schrijven voor de Vastenavendkrant?” Ik ben vereerd. Mijn ego is heerlijk gestreeld. Ik, de slechtste leerling ‘Bergs’ ooit met chronisch dyslectische vingers, mag een column gaan schrijven voor de belangrijkste krant ten tijde van de Vastenavend. In mijn enthousiasme zeg ik meteen; “Ja, leuk, doe ik”.

Maar dan, ik schrijf weliswaar voor meerdere media en de reacties zijn best positief. Maar de Vastenavendkrant is volledig opgesteld in een voor mij, als dyslectische halfbloed Bergenaar, onbegrijpelijk dialect. Dus poeh, een column schrijven in het Bergs? Dat is serieuze shit. De twijfel slaat toe. Hoe moet ik dat aanpakken en waar moet ik het in hemelsnaam over gaan hebben? Ik weet het niet. Gelukkig heeft de stichting dit al voorzien en biedt aan dat ik mijn column gewoon in enigszins Nederlands mag schrijven en zal hun professionele vertaler het omzetten naar begrijpbaar Bergs. Het motto wordt mij medegedeeld en met een “vuel succes” wordt er afscheid genomen.

De koningsdochter

Daar waar ik normaal gewoon een verhaaltje in elkaar flans, sla ik deze keer compleet vast. Geen letter verschijnt. Eigenlijk maakt het geen bal uit waar ik over schrijf natuurlijk. Een column kan over van alles gaan; mijn schoonmoeder, mijn werk, dat lekkere ding van de bank, mijn kater van vanochtend. Maakt eigenlijk geen reet uit waar het over gaat. Dus met het motto van dit jaar ‘dweil d’oew neus mar achternaar’ in mijn achterhoofd begin ik te tikken en zie ik wel wat er op papier verschijnt. Dat is toch vaak de beste aanpak gebleken. Wel is het een zaak van drie keer overlezen, toch maar even controleren op spelfouten en foutief D-T gebruik (ook zo’n dingetje), de opbouw, begin, midden, eind. Het liefst niet meer dan 400 woorden, maar zeker niet meer dan 500, want de lezer mag natuurlijk niet te moe worden. En als het even kan de boel wat aandikken en de humor niet vergeten. Hoe moeilijk kan het zijn? En dan…. verzenden.

Mijn trillende vinger hangt boven de verzendknop. De zenuwen gieren niet alleen door mijn keel. Mijn onzekerheid mengt zich met schaamte, wanhoop en pure angst. Voor de duizendste keer lees ik mijn column nog snel even door. Is het echt goed genoeg? Over het algemeen leest mijn verhaaltje, dat nu ineens ‘column’ gaat heten, best lekker. Maar toch… Dan ineens is het document verzonden. Zonder na te denken heb ik op verzenden gedrukt. Afwachten, in spanning. Slapen lukt niet langer. Hoe lang duurt het tot ik hoor of het goed genoeg is? De kerstdagen gaan voorbij, het wordt oud- en ook weer Nieuwjaar, maar dan komt daar het verlossende antwoord. Mijn eigen column pronkt binnenkort in de Vastenavendkrant. Ik voel de trots als goedkope drugs door mijn aderen stromen.

Vandaag knuffel ik mijn vrouw harder dan anders en zelfs mijn katten vind ik ineens super aardig. Ik kan niet wachten tot ik het krantje in de brievenbus ga vinden. Want wat is er nou mooier dan naar je eigen column te staren? Mijn twijfel is weg. Ik heb het gedurfd en iedereen mag het weten. Ik ben dit jaar columnist van de Vastenavendkrant.

Agge mar leut et!

Jan Nicolas

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

error: Copyright Jan Nicolas. Alle rechten voorbehouden.