Mijn kasteel

Mijn kasteel

Men heeft niet door hoe ik, heel vertrouwd, mijn muur steen voor steen heb opgebouwd, me verschans achter mijn wand, mijn dromenland, waar alle bitterheid als honing smaakt, niets me raakt, elke traan een glimlach doet lijken, waar ik steeds naar uit kan wijken. Een muur, hoger dan de hoogste toren, dikker dan de dikste dijken, waar ik niemand hoef te horen, mensen op grote afstand gloren. In mijn eigen rijk ben ik de koning, vastgeketend aan mijn eenzame troon, in een hoge toren opgesloten, doch nimmer van mijn troon gestoten, in diepe kerkers verdwaald, veilig maar monotoon.

Mijn haat en woede blijven van binnen razen, waar ik niemand kan verwonden, aangeblazen door voortdurende memorie, pijnlijke historie, geestelijk gebonden door een angst die rond mij sluipt, terwijl uit de voegen om me heen slechts honing druipt. Anderen zijn soms afgunstig, gemeen, zien alleen het fraaie kasteel, zijn blind voor de muur om mij heen, die ik kunstig en heel punctueel heb opgebouwd, steen voor steen.

De koningsdochter

Mensen zien slechts pracht en praal en niet de eenzaamheid waarin ik dwaal, niet hoe ik zachtjes ween, als ik lach en vrolijk ben, niet hoe mijn hart verbrokkeld als ik mijn verdriet ontken, vaak alleen. Mensen zien wat ze willen zien, wat hen bekoort, want dat is, vinden velen, hoe het hoort. Of ze snappen het eenvoudig niet, willen het niet weten, wat een hel het is om te willen vergeten, niet te denken aan een naderend eind, maar elke dag terug wakker te worden in hetzelfde omheind verdriet.

Jan Nicolas

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

error: Copyright Jan Nicolas. Alle rechten voorbehouden.