Kerstverhaal

Kerstverhaal

Lang, heel lang geleden, in een land hier een tering eind vandaan, lagen eens een stuk of wat herdertjes bij nachten. Eén herdertje heeft echter andere plannetjes dan zijn doppen dicht te doen. Die heeft eerder die dag een lekker ding zien huppelen, die we voor de herkenbaarheid ‘Maria’ zullen noemen, en denkt “אז, דבר נחמד זה” (ja sorry, die gasten spreken Herbreeuws).

Midden in de nacht, als de andere herdertjes op één of, heel knap, beider oren liggen, sluipt het herdertje naar de hut waar Maria ligt te slapen. Hij bestijgt haar en natuurlijk schrikt Maria wakker en zich minimaal een hoedje. Maar voordat ze kan schreeuwen zegt de herder heel geslepen dat hij een engel is, gestuurd door God. Wie God is weet Maria niet, want de Bijbel was op dat moment nog niet geschreven. Maar het klinkt allemaal erg indrukwekkend en die herder doet daarbij flink zijn best, dus ze laat het er maar bij.

De koningsdochter

Zodra de herder aan zijn gerief gekomen is en Maria haar bevrediging ook gevonden heeft, vraagt ze aan de herder, wiens gezicht ze in het donker niet kan zien, of alle engelen naar schapenstront stinken. De herder weet niet wat hij hierop moet antwoorden en neemt snel de benen. Omdat zijn kokhalzende lucht blijft hangen, denkt Maria dat hij er nog is. Als ze uiteindelijk een kaars heeft gevonden om licht te maken, en ‘de engel’ plotsklaps verdwenen blijkt te zijn, weet ze dat het waarlijk een engel geweest moet zijn met een ‘Goddelijke boodschap’. Het herdertje is gelukkig zo klein geschapen dat haar maagdenvlies nog bijna geheel intact is, en daar is ze best blij om, want kom op, niemand heeft zin om gestenigd te worden wegens overspel. Ook al was het met een naar kak ruikende engel.

En ja, dat zal je altijd zien, gaat het wicht een keer vreemd, is ze nog bevrucht ook. Haar man Jozef, die niet al te snugger is, ziet uiteindelijk ook dat ze een behoorlijk dikke pens begint te krijgen, maar de gehaaide Maria mompelt iets over een engel en een vuil toilet. De normaal goed gelovige Jozef slikt de onzin echter niet zomaar voor zoete koek. Ze krijgen een hoogoplopende ruzie en Jozef vraagt wie de vader is. “God, snap je dat nou niet?” vraagt Maria aan hem en een misverstand is geboren. De huisbaas is ondertussen op het lawaai tijdens hun ruzie afgekomen en schopt hen op straat. Van ellende nemen ze hun intrek in een stal waar het de hele dag stinkt naar schapenstront. Een lucht die bij Maria, tot de laatste dag van haar heilige leven, bepaalde gevoelens op zou blijven roepen.

Dan wordt het kereltje geboren. Jozef en Maria hebben alleen nog geen naam voor het joch, tot Maria aan zijn hoofd begint te jengelen dat hij, als vader, toch echt een naam moet verzinnen. “Jezus Christus”, zegt Jozef, “kan je dan echt helemaal niets zelf?” En hoppa, daar is misverstand nummer twee en is de rest geschiedenis. Oh nee, er komen nog drie kerels uit de Achterhoek op koeien met een bochel. Die hadden ineens het licht gezien of zoiets. Er komen ook wat herders op het gejengel van de baby af om te zeggen dat ze liever gisteren dan vandaag die stal uit moeten, want de schapen hebben het koud. En voor de rest gebeurt er eigenlijk niets bijzonders, tot de een of andere Romein het bijzonder grappig vindt om een sprookje te gaan schrijven dat hij de Bijbel zal noemen. En dan begint de ellende pas goed.

Tot slot wil ik benadrukken dat elke gelijkenis met bestaande of niet bestaande personen berusten op puur toeval. Mocht ik met mijn kerstverhaal iemand beledigd hebben, weet dan dat in de Bijbel staat dat je moet kunnen vergeten en vergeven en mocht dat er niet in staan, doe je dat toch maar, want het is tenslotte bijna kerstmis.

Jan Nicolas

error: Copyright Jan Nicolas. Alle rechten voorbehouden.