De wachtkamer

De wachtkamer

Ik moet een TAC laten maken. Ja, geeft niet, ik wist eerst ook niet wat het was. Het is een soort MRI-scan, maar in plaats dat je in die enge tunnel mag, schuift er een mega donut over je heen. De dokter wil mij visueel even in plakjes snijden. En wie ben ik om die man zijn pleziertje te misgunnen?

Om de dood een beetje op afstand te houden heeft het ziekenhuis zich getransformeerd tot permanente tentoonstellingsruimte. De wanden zijn hier en daar bedekt met kleurige abstracte schilderijen en grappige reliëfs van nieren en longen, al naar gelang de afdeling die ik passeer. Buiten is een goed verzorgt gazon, waar kris kras door elkaar wat kunstwerken op gepleurd zijn. Er is een restaurant, met terras vol in de gloeiende zon, waar je tegen woekerprijzen koffie en broodjes van gisteren kunt krijgen, lichtkoepels, fonteinen, er is een kapper en zelfs een winkeltje waar ze van alles verkopen waar ‘Beterschap’ op gedrukt kan worden. En toch wil het maar niet gezellig worden. Het blijft gewoon een ziekenhuis.

In de wachtkamer de gebruikelijke mêlee van mensen in verschillende stadia van verval of genezing. Veel vrouwen hebben er werk van gemaakt, alsof uiterlijke schoonheid het laatste bastion tegen de uitslag zou kunnen zijn. Hier geen leestafel met kranten en tijdschriften. Nee, aan de wand hangt een mega groot scherm, waar uitsluitend het nummer en de behandelkamer op wordt vermeld, zodat je weet dat je mag. En werkelijk iedereen zit als een malloot naar dat scherm te turen. In de ijdele hoop dat er misschien toch nog een leuke speelfilm op wordt vertoond of zoiets.

Begeleid door een grote verpleegkundige in het wit komen twee vrouwen binnen. De oudste in een rolstoel. Ze schuiven naast me tegen de muur. Moeder en dochter. De jongste is een recentere uitgave van haar moeder. Beiden spierwit haar, fel in de lippenstift en de uitbundige shawls. Alleen de diepte van de kreukelzones in hun gelaat verraadt het aanzienlijke verschil in leeftijd. Gezien de dochter is moeder vroeger een knappe verschijning geweest. Is nu niet veel meer van over. Eigenlijk helemaal niets.

De grote verpleegkundige gaat op zijn hurken naast de rolstoel zitten en legt mevrouw omstandig de procedure van het onderzoek uit. Vragend buigt ze haar hoofd in de richting van de spreker.
“Dat ze je zo komen halen Ma”, zegt dochter op groot volume.
“Je hoeft niet zo hard te praten”, antwoordt moeder bits.
De verpleegkundige kijkt even gegeneerd om zich heen.
“Ze is anders wel de hele dag bij u hoor”, zegt hij sussend, alsof die opmerking de levensbrede kloof tussen moeder en dochter zou kunnen dichten. Ook dit heeft de oude vrouw niet gehoord.
“Ze neemt gewoon wraak voor vroeger”, zegt ze tegen niemand in het bijzonder. Dochter reageert niet en rommelt in haar handtas. De grote man komt krakend overeind, geeft mevrouw de hand uit de cursus ‘Patiëntencontact’, wenst haar veel sterkte en verdwijnt schommelend in de gang.

Een tijdje later komen ze samen terug uit de behandelkamer. Dochter duwt en komt licht in aanraking met de rolstoel van een man even verderop.
“Kijk toch uit”, snauwt moeder.
“Pardon meneer”, zegt de dochter, “ik deed u toch geen pijn”.
De man schudt zijn hoofd.
“Dat doet ze expres”, deelt moeder opgetogen mee.
“Ze moet u wel hebben hè”, besluit ik me ermee te bemoeien.
Even richt dochter haar doffe blik op mij.
“Meneer, het is soms zo vermoeiend, zo ontzettend vermoeiend…” En met een gebogen rug duwt ze de rolstoel voort. Richting de al wachtende taxi…

Jan Nicolas

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *