De laatste reis

De laatste reis

Ze ligt er mooi bij. Vredig, alsof ze zich heeft geschikt in het onvermijdelijke. Het is wel ineens stil in huis, nu ik haar gekakel niet langer hoef aan te horen. Het is vreemd ook om haar zo te zien liggen. Vooral omdat ze tot op het laatst volop in beweging was.

Ik hoef haar niet aan te raken om te weten dat haar hart al een poosje geleden gestopt is met kloppen en haar huid koud aan zal voelen. Ze is stijf en ligt daar, vol in het zicht, naakt en kwetsbaar, met haar knieën in een onmogelijke houding ietwat opgetrokken. Ik weet niet zo goed wat ik nu voel of moet voelen als ik naar haar kijk. Afschuw, of schaamte misschien? Nee, dat zeker niet. Ik voel eerder een soort van medelijden. Medelijden omdat ik weet dat haar leven niet prettig moet zijn geweest. Misschien is ‘niet prettig’ zelfs een beetje zwak uitgedrukt. Een levende hel is wellicht een betere omschrijving.

RentalPoint

Eigenlijk heb ik haar helemaal niet zo lang gekend. Ik vermoed dat ze kinderen heeft gehad, maar helemaal zeker weet ik dat niet. Maar als ze kinderen heeft gehad, dan zal ze die snel aan hun lot hebben overgelaten. In haar leven was geen plek voor kinderen. Zouden haar kinderen haar eigenlijk missen of weten zij van haar bestaan niets af? Sentimenteel als ik ben hoopt mijn hart dat ze gemist gaat worden, hoewel mijn verstand het meteen weer tegenspreekt.

Ik ken haar uit de buurt waar ik vroeger woonde. Een rustige landelijke omgeving, waar ik haar regelmatig zag lopen. Op zoek naar voedsel, soms samen met anderen, maar ook regelmatig alleen, alsof ze die eenzaamheid nodig had. Hoewel ik haar regelmatig zag, heb ik haar naam nooit gehoord. Nooit gevraagd ook. Voor iedereen was zij gewoon een van de velen die daar regelmatig hun geluk kwamen beproeven. Niet veel meer dan een nummer. Misschien maar beter ook. Als ik haar naam zou weten, zou ik het er nu verschrikkelijk moeilijk mee hebben gehad. Zo ben ik nu eenmaal. Dan wordt het meteen zo persoonlijk. Nu is het toch een stuk afstandelijker.

En nu ligt ze hier en mag ik haar laatste reis verzorgen. Het is me niet opgedrongen hoor. Het was mijn eigen beslissing. Maar diep in mijn hart voel ik toch iets van spijt knagen. En hoewel het misschien wat morbide overkomt, leg ik in een troostend gebaar even mijn hand op haar borst. De vochtige kilte van haar huid zorgt ervoor dat ik mijn hand meteen weer terugtrek. Ik zal haast moeten maken vrees ik.

Ik pak haar op en verbaas mij hoe zwaar zij toch nog weegt. Langzaam, bijna teder, laat ik haar in het water zakken. Daar gaat ze, op weg naar haar laatste reis. Vanavond eet ik kippensoep.

Jan Nicolas

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *

error: Copyright Jan Nicolas. Alle rechten voorbehouden.