Bloed moet

Ik mag me vandaag weer eens melden voor een onvrijwillige bloeddonatie in het plaatselijk gezondheidscentrum. Waarom dat zo heet is mij een raadsel, want je komt daar vooral als je juist niet gezond bent, maar dat ter zake. Mijn arts wil graag dat ik dit eens in de zoveel tijd laat doen ter controle en hij heeft ervoor geleerd dus zal hij ook wel weten wat goed voor mij is. Althans, dat mag ik toch hopen.

Nu weet ik niet of de lezer ooit in een Spaans gezondheidscentrum is geweest en dan speciaal op de afdeling bloedafname, maar geloof me, dat is amateurisme troef. Zeg maar 55 jaar terug in de tijd. Minstens, want langer terug kan ik mij namelijk niet herinneren. Ze gebruiken nog net niet dezelfde naald voor elk slachtoffer. Vanwege de coronaperikelen staan alle slachtoffers buiten het gezondheidscentrum opgesteld in een lange, hele lange rij. Onwillekeurig moet ik aan schapen denken die op hun beurt wachten voor de slachtbank.

Tien minuten later dan gepland komt ‘iets’ naar buiten dat ingepakt is alsof hij of zij (echt, er is geen enkele geslachtsherkenning mogelijk door de vele lagen beschermende kledij) minimaal een asbestcontrole uit gaat voeren. ‘Het’ roept de namen op van de ongelukkigen die als eerste naar binnen mogen. Waarom we hier in een rij staan als men toch iedereen op naam binnenroept, is en blijft voor mij een groot raadsel. Ik hoor iets roepen dat vaag op mijn naam lijkt en stap ook uit de rij. Bij de ingang richt de ingepakte iets op mij dat op een pistool lijkt en automatisch gaan mijn handen omhoog. Het blijkt een thermometer te zijn ter controle van koortsverschijnselen, waarvan ik blij ben dat deze, door de vreemde vorm, niet op een ouderwetse manier wordt ingebracht.

Bij de afdeling bloedafname word ik door een erg kordaat optredende oudere verpleegster, met armen als boomstammen en een snor waar de veldwachter uit Swiebertje jaloers op was en die zelfs langs haar mondmasker zichtbaar is, in een stoel gesmeten. Na een tijdje gewacht te moeten hebben komt er een jonge verpleegster op me af. Waarschijnlijk is het op dit moment mode, want ook deze dame gaat het niet redden met alleen wat hars om haar bovenlip weer kusklaar te krijgen. Je wilt dan toch niet weten hoe deze prikmuts er voor de rest uit ziet. Deze vrouwelijke uitvoering van een grizzlybeer trekt de band om mijn arm dusdanig strak aan waardoor mijn vingers spontaan beginnen te tintelen en ramt de naald in mijn arm. Zonder resultaat, want er loopt geen enkele druppel in het buisje dat ze klaar heeft voor actie. Dus naald eruit en nog een keer proberen, met nog wat meer kracht. De naald buigt nog net niet krom. Helaas, wederom komt er geen bloed. Dan begint ze de naald in mijn arm wat heen en weer te bewegen.

De oude berin heeft al die tijd gekeken naar de amateuristische pogingen van de jonge berin. Als het haar te veel wordt, komt ze aangestormd, haalt de naald eruit en plaatst deze opnieuw in mijn arm en wel met zoveel kracht dat ik verbaast constateer dat de naald niet dwars door mijn arm is geschoten. Er vallen nu wat druppeltjes bloed in het buisje maar om nou te zeggen dat het snel gaat is een overstatement. Na iets van tien minuten en heel veel pogingen later, zegt Bertha tegen mij: “Nou meneer, dat wordt helemaal niets met u. We stoppen er mee!” En terwijl de naald nog in mijn arm hangt, maakt ze de band los.

Meteen begint het bloed in het rond te spuiten als ware mijn arm een zojuist ontkurkte champagnefles. De troela weet niet hoe snel ze het bloed op moet vangen in de buisjes. Als ze een paar seconde later klaar is stopt ze een flinke dot watten op het gaatje en maakt dit vast door drie keer flink met een onverwijderbare tape rond mijn arm te gaan. Ik kijk haar aan en besluit voor één keer in mijn leven mijn mond te houden en slechts voorzichtig, en volledig in mezelf, te glimlachen.

Jan Nicolas