Bloed moet

Bloed moet

Ik mag me vandaag weer eens melden voor een onvrijwillige bloeddonatie in het ziekenhuis. Dan tapt men weer een paar buisjes bloed af om te kijken of alles nog werkt zoals het hoort te werken en of ik misschien enge ziektes heb.

Mijn dokter wil graag dat ik dit eens in de zoveel tijd laat doen en zij, ja ik ben gezegend met een vrouwtjesdokter, heeft er voor geleerd dus zal zij ook wel weten wat goed voor mij is. Althans, dat mag ik toch hopen. Nu behoor ik tot de groep mannen die niet spontaan tegen de vlakte gaat als ze bloed zien, dus vol goede moed ga ik richting ziekenhuis.

Nu weet ik niet of de lezer ooit in een Spaans ziekenhuis is geweest en dan speciaal op de afdeling bloedafname, maar geloof me, dat is amateurisme troef. Zeg maar 50 jaar terug in de tijd. Minstens. Ze gebruiken nog net niet dezelfde naald voor elk slachtoffer. Ik meld me bij de receptie, krijg daar een doorverwijzing voor de afdeling bloedafname en zoek mijn plaats in de lange rij overige gelukkigen. Na een kleine twee uur wachten (dat schijnt dus snel te zijn) is het eindelijk mijn beurt. Ik word door een erg kordaat optredende oudere verpleegster, met armen als boomstammen en een snor waar de veldwachter uit Swiebertje jaloers op was, in een stoel gesmeten. Het is een mevrouw met een nare uitstraling dus ik denk: “Dat begint al lekker.”

Na een tijdje gewacht te moeten hebben komt er een jonge verpleegster op me af. Waarschijnlijk is het op dit moment mode, want ook deze dame gaat het niet redden met alleen wat hars om haar bovenlip weer kusklaar te krijgen. “Gedverdemme”, denk ik, “je wilt dan toch niet weten hoe deze prikmuts er voor de rest uit ziet.” Deze vrouwelijke uitvoering van een Grizzlybeer trekt de band om mijn arm dusdanig strak aan waardoor mijn vingers spontaan beginnen te tintelen en ramt de naald in mijn arm. Zonder resultaat, want er loopt geen enkele druppel in het buisje dat ze klaar heeft voor actie. Dus trekt ze de naald er uit en probeert het nog een keer. Nu met nog wat meer kracht. De naald buigt nog net niet krom. Helaas, wederom komt er geen bloed. Dan begint ze de naald in mijn arm wat heen en weer te bewegen dus ik denk: “Dat gaat lekker; ik kan het nog beter zelf doen.” Maar dat mag dus niet.

“Bertha (alle vrouwen met een snor heten, heel vreemd, Bertha), Bertha, kan jij hier nog iets van maken?” vraagt de jonge berin aan de oude berin. Deze komt aangestormd, haalt de naald er uit en plaatst deze opnieuw in mijn arm en wel met zoveel kracht dat ik verbaast constateer dat de naald niet dwars door mijn arm is geschoten. Er vallen nu wat druppeltjes bloed in het buisje maar om nou te zeggen dat het snel gaat is een overstatement. Na iets van tien minuten en evenveel pogingen later, zegt Bertha tegen mij: “Nou meneer, dat wordt helemaal niets met u. We stoppen er mee!” En terwijl de naald nog in mijn arm hangt, maakt ze de band los.

Meteen begint het bloed in het rond te spuiten als ware mijn arm een zojuist ontkurkte champagnefles. De troela weet niet hoe snel ze het bloed op moet vangen in de buisjes. Als ze een paar seconde later klaar is stopt ze een flinke dot watten op het gaatje en maakt dit vast door drie keer flink met een onverwijderbare tape rond mijn arm te gaan. Ik kijk haar aan en besluit voor een keer in mijn leven mijn mond te houden en slechts voorzichtig, en volledig in mezelf, te glimlachen.

Jan Nicolas

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *